maandag 15 januari 2018

Hoe DSM een sprong voorwaarts maakte

Nadat DSM zich in de jaren 1950 en 60 tot chemiebedrijf had ontwikkeld en de mijnen voorgoed waren gesloten, gingen op het huidige Chemelot zaken als stijgende arbeidskosten, veiligheid en milieuverontreiniging een steeds grotere rol te spelen. Bovendien stond de winstgevendheid onder druk en zo ging DSM de jaren 70 in.


Acrylonitrilfabriek

Aangezien in die tijd – de jaren 1970 – de winstgevendheid onder druk stond, werd op onderzoek, met name fundamenteel onderzoek, fors bezuinigd. Dit werd ingegeven door het debacle met lysine (lees “Hoe DSM zich tot chemiebedrijf ontwikkelde”), maar hiermee volgde DSM ook een trend in de chemische industrie.

Vraag-gestuurde diversificatie
Het DSM-management koos ervoor om op het fundament van de chemische activiteiten uit de jaren 1950 en 60 ‘de grote sprong voorwaarts’ te maken. In dat kader zette DSM in op vraag-gestuurde diversificatie via het verwerven van technologie of bedrijven. Marktontwikkelingen werden voortaan betrokken in de afweging om een fabriek te bouwen.
Zo begon DSM met de productie van acrylonitril (ACN, grondstof voor de acrylvezels, 1969) en de kunststoffen polyvinylchloride (PVC, 1972), polypropeen (PP, 1977) en acrylonitril-butadieen-styreen (ABS, 1974). De fabrieken werden gebouwd op basis van aangekochte technologie, die door DSM werd verbeterd. De afzet van kunststoffen groeide sterk en daarom werden in de jaren 70 twee nieuwe krakers gebouwd (naftakraker 3 en 4) om daarvoor de nodige grondstoffen (etheen en propeen) te leveren.
In 1976 werd het Centraal Laboratorium omgedoopt in CRO (Concerndienst Research en Octrooien) en in 1985 tot DSM Research. Tegenwoordig heet dit Brightlands Chemelot Campus.

Fijnchemie
Het lysine-onderzoek in de jaren 60 werd de basis voor DSM’s activiteiten in de fijnchemie. Deze verzameling producten wordt onder meer toegepast voor voedingsingrediënten, geneesmiddelen en landbouwchemicaliën. Fijnchemie houdt het midden tussen speciale producten (kleine productie-installaties voor meerdere producten) en bulkchemie (grote fabrieken voor één product). De ontwikkeling resulteerde in de productie van onder meer benzaldehyde (voor smaakstoffen, 1972), fenylglycine (een aminozuur voor geneesmiddelen, 1972), pyridine (uit acrylonitril voor landbouwchemicaliën, 1977), alpha-picoline (voor landbouwchemicaliën, 1977) en aminozuren (in eerste instantie D-valine, 1988). Daarbij werd gebruik gemaakt van biotechnologie, oftewel het gebruik van enzymen als katalysatoren voor chemisch processen.
Ondanks deze positieve ontwikkelingen bleef fijnchemie een niche in de DSM-omzet. De productie van alpha-picoline werd in 2010 beëindigd.

Waterzuivering
Het onderzoek in de jaren 70 richtte zich ook op het milieu, met name op de gevolgen van de chemie voor de waterkwaliteit van de Maas. Al in de jaren 60 had DSM een waterzuiveringsinstallatie gebouwd, de Pasveersloot bij Stein. In 1977 werd bij Meers een nieuwe waterzuiveringsinstallatie in gebruik genomen. Het microbiologisch onderzoek dat aan deze installatie ten grondslag lag vormde de basis voor verder onderzoek in de biotechnologie.

Daarnaast werden maatregelen genomen om de door stikstofoxiden veroorzaakte en van ver zichtbare bruine pluim boven de locatie te reduceren. Deze stikstofoxiden kwamen met name vrij uit de salpeterzuurfabrieken. Een denox-installatie voorkomt tegenwoordig deze uitstoot. Soms zijn deze pluimen nog te zien als zo’n fabriek wordt opgestart of stopgezet. Dan is de denox-installatie niet op de juiste temperatuur en komt er een beperkte hoeveelheid stikstofoxiden vrij. Bekijk de animatie “Bruine pluim? Soms onvermijdelijk”.

Ureum en melamine
Problemen met corrosie waren aanleiding om de productie van ureum en melamine te integreren (1970). Tweemaal was er in de jaren 70 een oliecrisis, waardoor het voor olieproducerende landen aantrekkelijk werd om toe te treden tot de chemische industrie, met name ureum (als meststof). DSM concentreerde zich meer en meer op de West-Europese kunstmestmarkt, waar amper ureum werd afgezet. DSM kon die ureum beter als grondstof voor melamine gebruiken.

De ACN-fabriek is tegenwoordig van AnQore, producent van “Smart Materials”. Samen met Fibrant (caprolactam) vormt AnQore de ChemicalInvest Holding, een onderdeel van de investeringsmaatschappij CVC Capital Partners. CVC is ook de eigenaar van bedrijven als Avast (veiligheidssoftware), Breitling (horloges) en Douglas (parfumerieketen).
De PVC-fabriek is nu van Vynova, een onderdeel van ICIG, dat zich toelegt op vinylchlorides, met fabrieken in Tessenderlo, Wilhelmshaven, Mazingarbe, Runcorn en dus op Chemelot. ICIG (International Chemical Investors Group) is een Luxemburgs-Duitse industriële investeringsmaatschappij, waaronder ook Enka valt (voorheen AkzoNobel).
De PP-fabriek is van het Saoedische bedrijf SABIC, een van de grootste chemische bedrijven in de wereld. Vorig jaar nog werd door de toenmalige minister van Economische Zaken Henk Kamp een proeffabriek van SABIC voor polypropeen op Brightlands Chemelot Campus geopend. Dit toont aan dat ook naar een product dat al sinds 1977 wordt geproduceerd nog het nodige onderzoek valt te verrichten.
De ABS-fabriek werd in 1999 aan BASF verkocht, die de productie enkele jaren later beëindigde.

Lees ook “Hoe het onder de grond begon”, “De ontdekking van de Mijngod”, “De eerste transitie: van steenkool naar chemie” en “Toen het donkerder werd dan in een mijnschacht”.