maandag 29 januari 2018

The first transition: from coal to chemicals

It’s often said that DSM started producing chemicals when the Maurits State Mine closed its shafts in 1967. But that is not correct: at the site, which is now Chemelot, chemical production closely followed the mining industry. This changeover was the first transition that was implemented on this site. More transitions would follow.


DSM’s Central Laboratory 1940

Coke oven gas
From 1926 to 1967, coal was mined in the State Mine Maurits in Geleen. The coal from this mine was rich in bitumen. While this rendered it unsuitable for domestic heating purposes, the coal could be processed into cokes for blasting furnaces and foundries. A large coking plant was built, which started production in 1929.

Cooling tower under construction

For cooling purposes use was made of Van Iterson cooling towers with their characteristic hyperboloid form. Towers of this type are still being used worldwide today. Van Iterson (1877-1957) was a DSM director who played a major role in the development of DSM from mining company to chemical company.
It’s fair to say that the cooling tower is the first innovation at Chemelot; more innovations would follow.

In the production of cokes, coke oven gas was obtained, and this gas became the source of several byproducts.:
  • Nitrogen fertilizers
  • Mixed fertilizers
  • Alcohol
  • Phthalic anhydride.
This diversification was deliberate DSM policy because the revenues from mining were rather meager, while only part of the coke oven gas could be sold as town gas to surrounding municipalities. The first form of diversification was the large-scale production of nitrogen fertilizer.

Fertilizer
A key fertilizer intermediate is ammonia, which had been produced from gas by the town gas and cokes industries already since the mid-nineteenth century. In 1930, DSM started producing ammonium sulfate fertilizer on the basis of ammonia and sulfuric acid. Use was made of a new technology – the Linde process – to liberate hydrogen from coke oven gas at a low temperature. This hydrogen was subsequently combined with nitrogen from the air to produce ammonia using the Haber-Bosch process. This process was patented in 1910 by the German chemists Fritz Haber (1868-1934) and Carl Bosch (1874-1940). The former received the Nobel Prize in Chemistry for this in 1918. In 1931, Carl Bosch also received the Nobel Prize.
The patent was acquired by the German chemical company BASF.

The ammonium sulfate plant was called Stikstofbindingsbedrijf (SBB – Nitrogen Fixation Works). This proves to be a persistent name, because to date 'SBB' is more known to some than 'Chemelot'.

Oversupply soon resulted in pressure on the selling price of ammonium sulfate, which is why a nitric acid plant was built in combination with a plant that produced calcium ammonium nitrate as from 1932; nitric acid is a necessary intermediate product for this alternative fertilizer, which today is still being used in agriculture in northwestern Europe.
Nitric acid is a necessary intermediate for this. It is produced following the Ostwald process, which was developed in 1906 by Wilhelm Ostwald (1853-1932), who received the Nobel Prize in Chemistry in 1909.
Thanks to fertilizers, DSM gained know-how in the fields of process technology and engineering as well as chemical know-how.

Central Laboratory
Research, including daily quality and process control, took place in plant laboratories, but in 1928 part of the research was centralized in the Central Laboratory, in line with a trend in the chemical industry to set up large, independent departments for fundamental research. Van Iterson had personally identified this trend on his journey through the United States, where he visited companies such as Du Pont.
Between 1939 and 1959, the new Central Laboratory buildings were realized in phases to a design by Fontein; to this day these buildings are the heart of the Chemelot Campus.

The DSM management recognized that research was important if it wanted the company to flourish and to keep up with the competition. Fundamental research initially focused on subjects such as catalysis and crystallization. Catalysis was important for the production of ammonia and nitric acid, and crystallization for the production of ammonium sulfate. Another subject addressed was corrosion, a universal problem in chemical plants.

Alcohol
Falling fertilizer prices pushed the DSM management further on the road to diversification. The next step involved alcohol, which was linked up with the ethylene fraction obtained in the production of hydrogen from coke oven gas. Up to that time, DSM’s plants had been built on the basis of technology purchased from others, but now DSM itself developed a plant for the production of alcohol from ethylene obtained as coke oven gas byproduct – which was a world first. This plant was in production from 1940 to 1960.

Mixed fertilizers
The next diversification step was aimed at mixed fertilizers, in particular fertilizers containing nitrogen and phosphate. The phosphate rock needed for this process had to be imported. The plant was ready for production in 1941, but the first product did not leave the plant until after World War II. In 1949, an NPK plant was commissioned; besides nitrogen and phosphate, this fertilizer also contains potassium.

Phthalic anhydride
Between 1951 and 1963, DSM produced phthalic anhydride, made from a byproduct of the cokes plant, for which there was much demand from the Dutch paint industry after World War II. The required technology was bought from a US-based contractor; DSM no longer wanted to confine itself to in-house technology.

But that was already after the Second World War, a horror that did not go unnoticed by the current Chemelot...

Read also “How it started underground” about the Maurits State Mine.
This is a repost of my (Dutch) August 21, 2017 post.
Read my May 20, 2013 blog post about the reason why of my English reposts.

maandag 22 januari 2018

Op zoek naar de kern van een stad zonder centrum

De stad Genk in de Belgische provincie Limburg heeft 64.000 inwoners. Maar is Genk eigenlijk wel een stad? Want eigenlijk ontbreekt een echt centrum. Een kleine blik over de grens levert (toch) veel interessants over deze plaats – een ‘rasterverhaal’.


C-mine, Winterslag, Genk

Vanuit Zuid-Limburg ben je er zo, via de snelweg E314, over de Maas, richting Antwerpen: de stad Genk. De meeste steden groeien vanuit een centrum, zoals de nabijgelegen historische stad Hasselt. Bij Genk is dat anders toegegaan – en dat maakt de stad bijzonder. Genk is geen concentrische stad, maar een netwerkstad of rasterstad.

Landschap Kempen
Emile Van Doren

Kunstenaarsdorp
Tot aan het einde van de 19e eeuw was de streek rond Genk, in feite de hele Kempen, een onontwikkeld gebied. Zelfs de landbouw wilde er niet echt van (of beter: uit) de grond komen, hoogstens plaggen en turf. Wat wél vlotte was de bosbouw, waaraan we het Nationaal Park Hoge Kempen hebben overgehouden.
Genk ontwikkelde zich tot een kunstenaarsdorp. De meest vooraanstaande kunstenaar was de Brusselse landschapsschilder Emile Van Doren (1865-1949).

Parallel met Zuid-Limburg
In 1901 vond ingenieur en ondernemer André Dumont steenkool in As, even ten noorden van Genk. Binnen een kwarteeuw gingen er in Genk drie steenkoolmijnen open: Winterslag, Waterschei en Zwartberg. Tegelijkertijd gingen ook in Zuid-Limburg steenkoolmijnen in bedrijf, lees “Breuken in het Heuvelland” en “Hoe het onder de grond begon”.
Tussen bestaande dorpskernen ontstonden drie nieuwe stadjes voor de mijnwerkers, onder wie veel uit Polen. Het dorp Genk bleef relatief klein.

Christus Koningkerk, Waterschei, Genk

Rasterstad
Voor de ontsluiting van het gebied werden een spoorweg, een kanaal en rijkswegen aangelegd die oost-west waren georiënteerd. Aangevuld met enkele noord-zuid wegverbindingen ontstond een ladderstructuur: het raster, waaraan Genk de sociaalgeografische karakterisering ‘rasterstad’ te danken heeft.
Her en der werden enorme kerken, zgn. mijnkathedralen, gebouwd, zoals de Christus Koningkerk in Waterschei (1925) en de Sint-Albertuskerk in Zwartberg (1943).

Interieur Stedelijk Sportcentrum Genk
Ontwerp Isia Isgour

Industriestad
In de jaren 1960 en 70 ontwikkelde Genk zich tot industriestad, toen grote ondernemingen als ALZ en Ford naar de stad kwamen. Ondertussen werd het gebied tussen de dorpen en mijnstadjes geleidelijk volgebouwd. Er kwamen tuinwijken en sociale woonwijken. En er kwam het eerste Belgische shoppingcenter naar Amerikaans model. Het belang van industrie en logistiek werd relatief groter toen de mijnen sloten: Zwartberg in 1966, Waterschei in 1987 en Winterslag in 1988.
Genk werd een autostad en werd drastisch gemoderniseerd. Zo werd middenin Genk de Stadsstrip aangelegd, maar daarmee werd nog niet overtuigend in de vacature van ‘stadscentrum’ voorzien.
Kunstenaars bleven in de stad een rol spelen, d.w.z. in 1975 werd daar het uit beton opgetrokken Stedelijk Sportcentrum in gebruik genomen, een ontwerp van de Brusselse architect Isia Isgour (1913-1967) en sinds 2009 een monument.

Industrieel erfgoed
C-mine, Winterslag, Genk

Nieuwe toekomst 1: C-mine
Toen in 2014 de Ford-fabriek in Genk sloot kwam de stad in een crisis terecht. De herontwikkeling van de terreinen die na de sluiting van de mijnen overbleven kreeg daarmee urgentie. Het werden plaatsen voor nieuwe en ambitieuze projecten, tegen de achtergrond van de steenbergen die van de mijnbouw overbleven, die in Vlaanderen terrils worden genoemd.
Op de locatie van Winterslag kwam C-mine tot leven, volgens een ontwerp van het Brusselse architectenbureau 51N4E. Hier kun je terecht voor een museum, cultuur (theater), ontspanning, creatieve economie, onderwijs en wonen. Het industrieel erfgoed bleef op C-mine bewaard, leuk om eens te gaan bekijken.

Hoofdgebouw Thorpark, Waterschei, Genk

Nieuwe toekomst 2: Thorpark
Op de Waterschei-locatie vinden we tegenwoordig het Thorpark, een hotspot voor technologie, energie en innovatie. Internationaal gezien ligt Genk in de luwte ten opzichte van dynamische economische regio’s als de Vlaamse Ruit (Brussel-Gent-Antwerpen-Leuven), de Nederlandse Randstad en het Duitse Ruhrgebied. Toch hebben KU Leuven, VITO en IMEC, toonaangevende wetenschappelijke instellingen in België, het Thorpark uitgekozen als locatie voor hun onderzoeksactiviteiten op het vlak van hernieuwbare energie. Voor dit initiatief, EnergyVille, werd nieuwbouw gerealiseerd. Hier staat ook IncubaThor, nieuwe huisvesting voor startende bedrijven en groeibedrijven. Het hoofdgebouw van de mijn werd gerenoveerd volgens een ontwerp van SATIJNplus Architecten uit Born.

Cosmopolitan Chicken Project
Koen Vanmechelen

Nieuwe toekomst 3: La Biomista
Ook Zwartberg bleef niet achter qua herontwikkeling. Daar vinden we nu het La Biomista kunstcentrum. Dit is het domein van de kunstenaar Koen Vanmechelen, bekend van het Cosmopolitan Chicken Project. Hiermee wil hij door vermenging van alle kippenrassen – om te beginnen de Mechelse Koekoek en de Poulet de Bresse – de universele superbastaard kweken, als metafoor voor de mondiale culturele en genetische smeltkroes.

Voor het terrein dat Ford achterliet worden de mogelijkheden verkend die de circulaire economie kan bieden.

De geschiedenis van Genk valt zo samen met de achtereenvolgende energietijdperken:
  1. Plaggen en turf
  2. Steenkool (Winterslag, Waterschei, Zwartberg) en olie (Ford)
  3. Hernieuwbare energie (diepe geothermie en smart grids).

Cosmodrome Kattevennen, Genk

Vanuit Zuid-Limburg is Genk een mooie bestemming voor een fietstocht. Ga bij Berg met het veer de Maas over en dan verder langs de knooppunten tot aan Genk: www.fietsnet.be. Dwars door Nationaal Park Hoge Kempen, met een goede kans dat je langs het Cosmodrome Kattevennen komt, de volkssterrenwacht met planetarium.

Deze blogpost is deels gebaseerd op “Genk, rasterstad – De groenste centrumstad van Vlaanderen” door verschillende auteurs, uitgegeven door de Stad Genk (2015).
Wie wil dit boek lezen? Laat maar weten of je belangstelling hebt. Wie het eerst komt, het eerst maalt.

maandag 15 januari 2018

Hoe DSM een sprong voorwaarts maakte

Nadat DSM zich in de jaren 1950 en 60 tot chemiebedrijf had ontwikkeld en de mijnen voorgoed waren gesloten, gingen op het huidige Chemelot zaken als stijgende arbeidskosten, veiligheid en milieuverontreiniging een steeds grotere rol te spelen. Bovendien stond de winstgevendheid onder druk en zo ging DSM de jaren 70 in.


Acrylonitrilfabriek

Aangezien in die tijd – de jaren 1970 – de winstgevendheid onder druk stond, werd op onderzoek, met name fundamenteel onderzoek, fors bezuinigd. Dit werd ingegeven door het debacle met lysine (lees “Hoe DSM zich tot chemiebedrijf ontwikkelde”), maar hiermee volgde DSM ook een trend in de chemische industrie.

Vraag-gestuurde diversificatie
Het DSM-management koos ervoor om op het fundament van de chemische activiteiten uit de jaren 1950 en 60 ‘de grote sprong voorwaarts’ te maken. In dat kader zette DSM in op vraag-gestuurde diversificatie via het verwerven van technologie of bedrijven. Marktontwikkelingen werden voortaan betrokken in de afweging om een fabriek te bouwen.
Zo begon DSM met de productie van acrylonitril (ACN, grondstof voor de acrylvezels, 1969) en de kunststoffen polyvinylchloride (PVC, 1972), polypropeen (PP, 1977) en acrylonitril-butadieen-styreen (ABS, 1974). De fabrieken werden gebouwd op basis van aangekochte technologie, die door DSM werd verbeterd. De afzet van kunststoffen groeide sterk en daarom werden in de jaren 70 twee nieuwe krakers gebouwd (naftakraker 3 en 4) om daarvoor de nodige grondstoffen (etheen en propeen) te leveren.
In 1976 werd het Centraal Laboratorium omgedoopt in CRO (Concerndienst Research en Octrooien) en in 1985 tot DSM Research. Tegenwoordig heet dit Brightlands Chemelot Campus.

Fijnchemie
Het lysine-onderzoek in de jaren 60 werd de basis voor DSM’s activiteiten in de fijnchemie. Deze verzameling producten wordt onder meer toegepast voor voedingsingrediënten, geneesmiddelen en landbouwchemicaliën. Fijnchemie houdt het midden tussen speciale producten (kleine productie-installaties voor meerdere producten) en bulkchemie (grote fabrieken voor één product). De ontwikkeling resulteerde in de productie van onder meer benzaldehyde (voor smaakstoffen, 1972), fenylglycine (een aminozuur voor geneesmiddelen, 1972), pyridine (uit acrylonitril voor landbouwchemicaliën, 1977), alpha-picoline (voor landbouwchemicaliën, 1977) en aminozuren (in eerste instantie D-valine, 1988). Daarbij werd gebruik gemaakt van biotechnologie, oftewel het gebruik van enzymen als katalysatoren voor chemisch processen.
Ondanks deze positieve ontwikkelingen bleef fijnchemie een niche in de DSM-omzet. De productie van alpha-picoline werd in 2010 beëindigd.

Waterzuivering
Het onderzoek in de jaren 70 richtte zich ook op het milieu, met name op de gevolgen van de chemie voor de waterkwaliteit van de Maas. Al in de jaren 60 had DSM een waterzuiveringsinstallatie gebouwd, de Pasveersloot bij Stein. In 1977 werd bij Meers een nieuwe waterzuiveringsinstallatie in gebruik genomen. Het microbiologisch onderzoek dat aan deze installatie ten grondslag lag vormde de basis voor verder onderzoek in de biotechnologie.

Daarnaast werden maatregelen genomen om de door stikstofoxiden veroorzaakte en van ver zichtbare bruine pluim boven de locatie te reduceren. Deze stikstofoxiden kwamen met name vrij uit de salpeterzuurfabrieken. Een denox-installatie voorkomt tegenwoordig deze uitstoot. Soms zijn deze pluimen nog te zien als zo’n fabriek wordt opgestart of stopgezet. Dan is de denox-installatie niet op de juiste temperatuur en komt er een beperkte hoeveelheid stikstofoxiden vrij. Bekijk de animatie “Bruine pluim? Soms onvermijdelijk”.

Ureum en melamine
Problemen met corrosie waren aanleiding om de productie van ureum en melamine te integreren (1970). Tweemaal was er in de jaren 70 een oliecrisis, waardoor het voor olieproducerende landen aantrekkelijk werd om toe te treden tot de chemische industrie, met name ureum (als meststof). DSM concentreerde zich meer en meer op de West-Europese kunstmestmarkt, waar amper ureum werd afgezet. DSM kon die ureum beter als grondstof voor melamine gebruiken.

De ACN-fabriek is tegenwoordig van AnQore, producent van “Smart Materials”. Samen met Fibrant (caprolactam) vormt AnQore de ChemicalInvest Holding, een onderdeel van de investeringsmaatschappij CVC Capital Partners. CVC is ook de eigenaar van bedrijven als Avast (veiligheidssoftware), Breitling (horloges) en Douglas (parfumerieketen).
De PVC-fabriek is nu van Vynova, een onderdeel van ICIG, dat zich toelegt op vinylchlorides, met fabrieken in Tessenderlo, Wilhelmshaven, Mazingarbe, Runcorn en dus op Chemelot. ICIG (International Chemical Investors Group) is een Luxemburgs-Duitse industriële investeringsmaatschappij, waaronder ook Enka valt (voorheen AkzoNobel).
De PP-fabriek is van het Saoedische bedrijf SABIC, een van de grootste chemische bedrijven in de wereld. Vorig jaar nog werd door de toenmalige minister van Economische Zaken Henk Kamp een proeffabriek van SABIC voor polypropeen op Brightlands Chemelot Campus geopend. Dit toont aan dat ook naar een product dat al sinds 1977 wordt geproduceerd nog het nodige onderzoek valt te verrichten.
De ABS-fabriek werd in 1999 aan BASF verkocht, die de productie enkele jaren later beëindigde.

Lees ook “Hoe het onder de grond begon”, “De ontdekking van de Mijngod”, “De eerste transitie: van steenkool naar chemie” en “Toen het donkerder werd dan in een mijnschacht”.

maandag 8 januari 2018

We zullen zien wat er van zijn dromen terechtkomt

Onze rondreis door de Verenigde Staten, afgelopen najaar, stond in het teken van vermaak: we gingen voor de muziek. Maar we werden ook geconfronteerd met een gescheiden samenleving, vooral met verschillen tussen blank en zwart.


Balkon Lorraine Motel
Hier werd Martin Luther King in 1968 doodgeschoten
Memphis, Tennessee

Vriendelijke omgang
In de ogen van argeloze toeristen, zoals wij bij aankomst in Atlanta, gaan blanken en Afro-Amerikanen hoffelijk met elkaar om. Ik zag namelijk niets dat op het tegendeel wees en naar mij toe was iedereen even vriendelijk.
Maar blank en zwart ontmengt in de privésfeer, wat bijvoorbeeld in hotels en restaurants aan de oppervlakte treedt. Blanken hebben het gezellig met blanken, zwarten met zwarten. En in de Zuidelijke Staten ontmoet je zwarten in de directe dienstverlening: aan de hotelbalie, aan de kassa van supermarkten, als ober in restaurants – zelden een blanke. En heel subtiel: wanneer een blanke en een zwarte tegelijkertijd bij een deur komen, zie je steevast dat de zwarte de blanke laat voorgaan.
Kortom, toeristen die al wat langer rondtrokken, kunnen de rassenverschillen niet meer ontkennen.

Zwart personeel bedient witte gasten
in het Waffle House, Atlanta

Segregatie
De segregatie tussen blank en zwart in de Verenigde Staten heeft op z’n minst twee oorzaken. Om te beginnen racisme in algemene zin, de kwalijke eigenschap die kennelijk eigen is aan de mensheid en daarom van alle tijden is, de neiging waardoor iemand meent superieur te zijn aan iemand van een ander ras of huidskleur.

Deze neiging droeg bij aan de tweede oorzaak, het slavernijverleden. Hoewel bijna alle Westerse landen zich tot in de negentiende eeuw met slavernij hebben ingelaten, liet de slavernij vooral in de Verenigde Staten blijvende sporen na. Zo vonden wij in het gebied dat we bezochten, het stroomgebied van de Mississippi, oude plantagehuizen, zoals Rosedown Plantation in St. Francisville, die door slavenarbeid tot stand kwamen, lees “Aan de oever van een machtige rivier”.
De Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) werd veroorzaakt door een meningsverschil tussen de Noordelijke en Zuidelijke Staten inzake slavernij. De Zuidelijken eisten namelijk uitbreiding van de slavernij naar onontgonnen gebieden tussen de Mississippi en de Pacific, maar de Noordelijken weigerden dit. In het Zuiden verdedigden blanken de slavernij-praktijk met hand en tand. Bedenk dat een slaaf naar huidig geld gerekend een waarde van ongeveer $ 140.000 vertegenwoordigde.

National Civil Rights Museum
Een indrukwekkend leermoment biedt het National Civil Rights Museum in Memphis, gevestigd bij het voormalige Lorraine Motel, waar Martin Luther King in 1968 werd doorgeschoten. King’s hotelkamer is in de staat van toen bewaard gebleven.
Het museum toont de maatschappelijke ontwikkeling van de Afro-Amerikanen, sinds zij als handelswaar vanuit Afrika werden aangevoerd, een overtocht die de Middle Passage werd genoemd.

Korte chronologie van de strijd voor gelijke rechten
Over de emancipatie van de Afro-Amerikanen zijn boeken vol geschreven, ik volsta met enkele momenten die wat mij betreft van belang zijn.

18 december 1865
De slavernij werd in de Verenigde Staten officieel afgeschaft en daarmee kwam een einde aan de Amerikaanse Burgeroorlog. Niet dat zwarten meteen aan blanken werden gelijkgesteld. Sterker nog, in onze tijd is de segregatie nog niet overal verdwenen.
Soldaten uit de Zuidelijke Staten richtten nog in datzelfde jaar (1865) de Ku Klux Klan op, die geweld en intimidatie toepaste om zwarten te verhinderen te gaan stemmen, een politiek ambt te bekleden en naar school te gaan.

1896-1965
Wetgeving die wordt aangeduid als Jim Crow laws, gericht op het handhaven van de rassenscheiding. Als gevolg daarvan ging zwarten in Amerika gebukt onder dagelijkse beledigingen, ongelijke kansen en ruw geweld.

22-24 september 1906
Rellen tussen zwarten en blanken in Atlanta, vanwege een poging van blanke politici om zwarten hun burgerrechten te ontnemen, dit om te voorkomen dat andere politici dan zij verkozen zouden worden. Dit eiste het leven van tenminste 25 zwarten en twee blanken.


Geboortehuis Martin Luther King
Auburn Avenue, Atlanta, Georgia

15 januari 1929
Geboorte van Martin Luther King in Atlanta, als zoon van een baptistendominee. Het geboortehuis en de Ebenezer Baptist Church vormen tegenwoordig de Martin Luther King Jr. National Historic Site.

17 mei 1954
Levend “under Jim Crow” gaven Afro-Amerikanen na de Tweede Wereldoorlog een nieuwe impuls aan de burgerrechtenbeweging. Zo procedeerden zwarte juristen tot aan het Hooggerechtshof om segregatie in het onderwijs ongrondwettelijk te verklaren – met succes (Brown vs. Board of Education).

1 december 1955
In Montgomery, Alabama weigerde Rosa Parks haar plaats in het ‘zwarte deel’ van de bus aan een blanke passagier op te geven, dit op bevel van de buschauffeur. Dit leidde tot een langdurige protestactie, de Montgomery Bus Boycott. Na ruim een jaar werd rassenscheiding in bussen ongrondwettelijk verklaard. Parks werd een icoon van het verzet tegen de rassenscheiding.

15 februari 1957
Oprichting van de SCLC, de Southern Christian Leadership Conference, een Afro-Amerikaanse burgerrechtenorganisatie, geleid door Dr. Martin Luther King Jr. De SCLC stond voor boycots en andere geweldloze acties, die stuitten op weerstand, vijandigheid en geweld van blanke zijde. Ook in de zwarte gemeenschap was de SCLC controversieel: sommigen vonden de acties te ver gaan, anderen achtten geweld in de strijd voor burgerrechten aanvaardbaar.

Prayer Pilgrimage for Freedom, 17 mei 1957
Washington, D.C.
Foto: Lee Friedlander

17 mei 1957
Eerste grootschalige Afro-Amerikaanse demonstratie op de National Mall in Washington, de Prayer Pilgrimage for Freedom.

Zomer 1957
De Little Rock Nine, negen zwarte meiden meldden zich aan voor de Little Rock Central High School, tot dat moment een blanke school. De gouverneur van Arkansas, Orval Faubus, probeerde die inschrijving te verhinderen – de Little Rock Crisis. Na ingrijpen van president Eisenhower konden de negen alsnog naar de school van hun keuze – onder escorte van soldaten.

1960
Zwarte studenten verenigden zich in de SNCC, de Student Nonviolent Coordinating Committee. Deze organisatie organiseerde geweldloze acties tegen de hardnekkige rassenscheiding, bijvoorbeeld door ‘blanke’ cafés, bibliotheken, zwembaden en bioscopen te bezoeken. Bij zo’n sit-in in Atlanta werd Martin Luther King opgepakt – zijn eerste arrestatie.

28 augustus 1963
Martin Luther King gaf zijn beroemde “I Have A Dream”-speech voor deelnemers aan de March on Washington for Jobs and Freedom.
Bekijk de video van het laatste deel van King’s speech en stel met mij vast dat dit de meest indrukkende speech is die ooit werd gegeven.

14 oktober 1964
Martin Luther King wint de Nobelprijs voor de Vrede.

3 april 1968
Martin Luther King geeft zijn laatste “I’ve Been To The Mountaintop”-speech voor stakende vuilnisophalers in Memphis, waaruit blijkt dat hij zijn dood voorvoelt, bekijk deze video maar eens.

Lorraine Motel, Memphis

4 april 1968
Martin Luther King wordt door James Earl Ray doodgeschoten op het balkon van Lorraine Motel in Memphis.

30 juni 1974
De moeder van Martin Luther King, Alberta Williams King en de diaken Edward Boykin werden in de Ebenezer Baptist Church in Atlanta doodgeschoten door Marcus Wayne Chenault, een 23-jarige zwarte man, die verklaarde dat alle Christenen zijn vijanden waren.

Burgerrechten tegenwoordig
Gelijke burgerrechten voor iedereen is in de Verenigde Staten nog steeds geen vanzelfsprekendheid. Zo las ik kort na thuiskomst een interview met Pat Buchanan, die driemaal presidentskandidaat was (NRC Handelsblad, 20 oktober 2017). Ik citeer hem: “Wij hebben ons nooit hersteld van twee ontwikkelingen in de tweede helft van de jaren zestig: gedwongen integratie van openbare scholen op last van het Hooggerechtshof [een verwijzing naar Brown vs. Board of Education, KB] en de radicalisering van de burgerrechtenbeweging. De beslissingen van negen niet-gekozen rechters in de jaren vijftig en zestig op het gebied van onderwijs hebben rampzalig uitgepakt. Het gevolg: blanken vluchtten massaal naar buitenwijken om hun kinderen daar goed en betaalbaar onderwijs te geven. De radicalisering van de burgerbeweging deed de rest: oproep tot gewelddadig verzet, brandende binnensteden. Een halve eeuw later zien we de gevolgen: geldverslindende bureaucratieën in het onderwijs en ter bestrijding van discriminatie, zonder dat beide problemen ook maar een spat dichter bij een oplossing zijn gekomen.” Volgens hem hebben deze ontwikkelingen geleid tot de verkiezing van Trump tot president.
Merk op dat Buchanan en passant de legitimiteit van de rechtspraak ter discussie stelt, het klassieke instrument van populisten bij dit soort thema’s.

Zo blijven tweedeling en racisme voortbestaan. Maar zolang de speech “I Have A dream” nog met verve wordt gedeclameerd, zoals wij meemaakten in de Ebenezer Baptist Church in Atlanta, is er hoop.

Op de plaquette voor Lorraine Motel staat een bijbeltekst uit Genesis 37 : 19-20: “Zij zeiden tegen elkaar: Zie, daar komt die meesterdromer aan. Nu dan, kom, laten we hem doodslaan… Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen terechtkomt.
Lees ook “Impressies van het diepe Zuiden”, “Wandel mee door “The Big Easy’”, “Waarom het niet altijd leuk was aan de bayou” en “Naar de bakermat van de blues”.

maandag 1 januari 2018

Naar de bakermat van de blues

Wij maakten onze rondreis door de Verenigde Staten in het najaar om in de Mississippi Delta een muziekfestival te kunnen bezoeken. Dit bracht ons in dichtbij de oorsprong van de bluesmuziek.


The Crossroads
Clarksdale, Mississippi

In het gangbare spraakgebruik is een delta het gebied waar een rivier zich vertakt in kleine riviertjes die in zee uitmonden. De grote Mississippi heeft ook zo’n delta, maar de “Mississippi Delta” duidt een ander gebied aan, stroomopwaarts tussen Vicksburg en Memphis.
Deze streek, “de zuidelijkste plaats op aarde”, is de bakermat van de bluesmuziek, de Delta Blues. Wat ons opviel toen wij via Highway 61 tussen de katoenvelden reden, was het grote aantal kerken langs de weg en in de lucht de rookkolommen van brandend stro en de sproeivliegtuigjes.

Clarksdale is het epicentrum van de Mississippi Delta. Hier kruisen Highway 61 en Highway 49. Dit kruispunt is “The Crossroads”, waar de bluesmuzikant Robert Johnson (1911-1938) volgens de legende zijn ziel aan de duivel verkocht om de beste gitarist aller tijden te worden. Het leverde in elk geval “Cross Road Blues” (1936) op.

Katoenbaal in Mississippi

De blues kwam rond 1900 voort uit de Afro-Amerikaanse bevolking in Zuidoost-USA, die een armoedig bestaan vond op landbouwgronden waar generaties voor hen slaven waren en waar bijvoorbeeld katoen werd verbouwd. De muziek werd gemaakt op eenvoudige instrumenten, zoals mondharmonica, gitaar en alles wat voor percussie kon dienen, zoals houten kistjes. En die gitaar was geen Gibson of Fender, maar een exemplaar dat bij een postorderbedrijf was besteld.

De muzikanten gaven uitdrukking aan het zware bestaan, dat velen van hen probeerden te ontvluchten. Een goed voorbeeld is McKinley Morganfield, beter bekend als Muddy Waters (1913-1983). Hij groeide op op de Stovall Plantage, vlakbij Clarksdale, waar hij tractorchauffeur was en zijn eerste muziek maakte. In 1943 trok hij (via Highway 61) naar Chicago, waar hij overging op elektrische gitaar. Hij ontwikkelde zich tot een icoon van de bluesmuziek en tot de peetvader van verschillende rock-'n-rollbands, waaronder The Rolling Stones.

Willie Dixon
Vicksburg Waterfront Murals
Vicksburg, Mississippi

Eerder dan Muddy Waters, in 1936 was Willie Dixon (1915-1992) al naar Chicago verhuisd. Hij werd geboren in Vicksburg, waar hij op een muurschildering te zien is, lees “Aan de oever van een machtige rivier”. Hij schreef muziek voor het fameuze platenlabel Chess, zoals “Hoochie Coochie Man” (Muddy Waters, 1954) en “Little Red Rooster” (Chester ‘Howlin’ Wolf’ Burnett, 1961).

Hopson Plantage, Clarksdale

Hopson Plantage
In 1944 werd op de Hopson Plantage, vlakbij Clarksdale, voor het eerst de katoenteelt volledig gemechaniseerd. Een van de tractorchauffeurs was toen Joe Willie ‘Pinetop’ Perkins (1913-2011), die bewees dat katoen en blues sterk met elkaar zijn verweven. Als bluespianist speelde hij namelijk in de band van Muddy Waters.
Momenteel is op de Hopson Plantage de Shack Up Inn gevestigd, waar je kunt overnachten in hutjes, die herinneren aan de slaventijd – misplaatste nostalgie.

Graf van B.B. King (1925-2015)
B.B. King Museum and Delta Interpretive Center
Indianola, Mississippi

Blues als museumstuk
Bluesmuzikanten zijn de helden van de Mississippi Delta en in musea wordt de herinnering aan hen levend gehouden. Zo bezochten wij in Indianola het B.B. King Museum and Delta Interpretive Center. Hier wordt het verhaal verteld van B.B. King, “The King of the Blues”, van wie “The Thrill Is Gone” een van de grootste hit was. Het verhaal wordt geplaatst in de maatschappelijke context, met name de burgerrechtenbeweging. In dat verband was het een mijlpaal toen hij in de jaren 1970 voor het eerst voor een overwegend blank publiek optrad.
B.B. King ligt naast het museum begraven, in het stadje waar hij opgroeide.

Reizend van Indianola naar Clarksdale passeerden we Parchman Farm, die bluesmuzikanten heeft geïnspireerd, onder wie Mose Allison (1927-2016) in 1959. Vanwege de isolatie waarin de gevangenen leefden, bleef via Parchman Farm oude bluesmuziek bewaard. Dankzij de Library of Congress (John Lomax en anderen) zijn hiervan opnamen beschikbaar.

Zijstraatje in Clarksdale

Clarksdale is de geboorteplaats van onder anderen Eddie Boyd (1914-1994), John Lee Hooker (1917-2001), Ike Turner (1931-2007) en Sam Cooke (1931-1964).
Wat de eerstgenoemde betreft, in 1967 verscheen de LP “Praise the Blues” van ‘Cuby + Blizzards & Eddy Boyd’, nadat deze Nederlandse band het Boyd-nummer “Five Long Years” had uitgebracht. De carrière van veel bluesmuzikanten kwam pas écht van de grond nadat zij in Europa waardering vonden. Sonny Boy Williamson, Muddy Waters, Howlin' Wolf, Willie Dixon, B.B. King, Albert King, Little Milton, Otis Rush en John Lee Hooker gingen in de jaren 1960 en ’70 op tournee in Europa; Eddie Boyd ging er zelfs wonen.

Een van bekendste nummers van John Lee Hooker is zijn debuut “Boogie Chillen” uit 1948. Ike Turner nam in 1951 onder de naam Jackie Brenston and his Delta Cats het nummer “Rocket 88” op, dat wordt beschouwd als het eerste rock-‘n-roll-nummer.
Sam Cooke gaf vorm aan een andere muziekstroming, de soul, bijvoorbeeld met “You Send Me” (1957). Hij wordt dan ook herinnerd als “The King of Soul”.

Clarksdale houdt er twee musea op na. Eerst bezochten we het Delta Blues Museum, opgericht in 1979 en tevens muziekschool. Daarna gingen we naar het Rock & Blues Museum, “The Roots to the Fruits”, dat eigendom is van de Nederlander Theo ‘Boogieman’ Dasbach. Geen wonder dat we daar met enkele Nederlandse bands, waaronder The Golden Earrings, werden geconfronteerd.

Ground Zero Blues Club, Clarksdale

De bluesmuziek wordt in Clarksdale in de meest letterlijke zin levend gehouden in de Ground Zero Blues Club, een uitgaansgelegenheid waar je kunt dineren en waar duizenden bezoekers hun naam op de muur hebben geschreven. Bijna elke avond is er live bluesmuziek te horen. Wij zagen optredens van Lucious Spiller en James ‘Super Chikan’ Johnson, beiden wonend in Clarksdale. Laatstgenoemde sluit vrijwel elk nummer af met de uitroep “Somebody, shoot that thang!

Riverside Hotel, Clarksdale

Een andere ‘attractie’ in Clarksdale is het Riverside Hotel, waar reizende muzikanten sinds 1944 onderdak vonden. Daarvoor was er het G.T. Thomas Afro American Hospital gevestigd. Op 26 september 1937 overleed daar de zangeres Bessie Smith, “The Empress of the Blues”, die onder andere “Nobody Knows You When You're Down and Out” bekendmaakte (1929). Zij bezweek aan de verwondingen die zij bij een auto-ongeluk had opgelopen.

Verder is er in Clarksdale sinds 1944 een radiostation, WROX gevestigd. En sinds 1988 wordt er jaarlijks het Sunflower River Blues & Gospel Festival georganiseerd. Wij waren daarvoor te laat, maar wél mooi op tijd voor het festival in Helena, Arkansas.

King Biscuit Blues Festival
Helena, Arkansas

King Biscuit Blues Festival
Het King Biscuit Blues Festival is vernoemd naar het radioprogramma King Biscuit Time, dat al sinds 1941 door KFFA in Helena dagelijks om 12.15 uur wordt uitgezonden en waarin bluesmuziek de hoofdrol speelt. Discjockey van het eerste uur was de harmonicaspeler Sonny Boy Williamson (1912-1965), van wie “Don’t Start Me Talkin’” het bekendste nummer is. Als radiopresentator moest hij bloem aanprijzen, King Biscuit Flour van Interstate Grocer Company.

Het driedaags festival vond plaats op het binnentalud van de Mississippi-dijk in Helena, waarop wij, tussen het overwegend blanke publiek, plaatsnamen op de vouwstoeltjes die we eerder voor $8 per stuk hadden aangeschaft. Op sommige momenten kwam er een stofwolk over vanuit de graansilo’s van Bunge, maar daar konden we niet over klagen, want dit bedrijf was een sponsor van het festival.

Wij zagen optredens van diverse artiesten, afkomstig uit Arkansas en omliggende staten, sommigen van hen vaste waarden op het festival dat al sinds 1986 jaarlijks wordt georganiseerd:
  • The Legendary Pacers, in herinnering aan de overleden frontman Sonny Burgess (1929-2017)
  • Sterling Billingsley
  • Chris O'Leary
  • Joe Louis Walker
  • Tab Benoit
  • Anson Funderburg & The Rockets
  • Paul Thorn
  • JJ Grey & Mofro
  • Jack Pearson
  • Bruce Katz
  • Andy T Band with Alabama Mike.
Luister naar de Spotify playlist “Blog Klaas Bos – King Biscuit Blues Festival 2017”.

Rijk cultureel erfgoed
De hoeveelheid cultureel erfgoed op het gebied van de populaire muziek in de Mississippi Delta is wonderbaarlijk.

Voor meer informatie volsta ik met een verwijzing naar de Mississippi Blues Trail: www.msbluestrail.org.
Lees ook “Impressies van het diepe Zuiden”, “Wandel mee door “The Big Easy’” en “Waarom het niet altijd leuk was aan de bayou”.