maandag 25 september 2017

Toen het donkerder werd dan in een mijnschacht

In de jaren 1939-1945 ging de wereld door een donkere periode. Ook het tegenwoordige Chemelot onderging de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog.

 Gebombardeerde woningen in Geleen, 6 oktober 1942
DSM, www.deMijnen.nl

De eerste oorlogsjaren
Aan het begin van Tweede Wereldoorlog waren er in Zuid-Limburg twaalf mijnen: vier grote staatsmijnen, waaronder de Maurits in Geleen, en acht veel kleinere particuliere. Er werkten in totaal 32.000 arbeiders. Gedurende de oorlog daalde de productie per arbeider met ruim eenkwart, het ziekteverzuim liep op van 8,5% in 1938 naar 25,4% in augustus 1944. Dit werd deels gecompenseerd door een toename van het aantal arbeiders naar 42.000 in 1943.

Eind 1941 werd verplichte zondagsarbeid ingevoerd om te kunnen voldoen aan de exorbitant hoge Duitse exporteisen. De mijnwerkers werden gepaaid met extra beloningen, maar zij weigerden aanvankelijk hun medewerking, totdat vierhonderd weigerachtige arbeiders naar de kolenmijnen in het Ruhrgebied werden gezonden – om een voorbeeld te stellen.

In 1941 werd eenkwart van de Zuid-Limburgse productie naar Duitsland geëxporteerd. Dit resulteerde in een steenkoolcrisis, die verergerde door de uitzonderlijk strenge winter van 1941-’42. Vooral gas-, water- en elektriciteitsbedrijven kregen kolen toegewezen en daardoor zat de burgerij een groot deel van de winter in de kou.

Niet alleen de steenkoolvoorziening had onder de bezetter te leiden, de productie van stikstofmeststoffen door het Stikstofbindingsbedrijf daalde tot minder dan de helft. De landbouwgronden raakten van jaar tot jaar verder uitgeput.

Het bombardement
In de nacht van 5 op 6 oktober 1942 wierpen Engelse bommenwerpers hun bommen af op de Staatsmijn Maurits en omgeving. De mijn werd getroffen en lag een week stil, waarna het nog zeven maanden duurde voordat de normale productie weer was bereikt. De meeste bommen kwamen echter in Geleen terecht, waarbij bijna honderd doden vielen en bijna drieduizend mensen hun woning verloren. Dit bombardement was een vergissing geweest, want het had moeten gaan om doelen in Duitsland.

Heuvelgraver in een kunstmestloods
van het DSM Stikstofbindingsbedrijf
DSM, www.deMijnen.nl

De weigering
In augustus 1944 kreeg de Duitse chemische industrie een tekort aan ammoniak voor het vervaardigen van bommen en granaten. De Duitse bezetter eiste dat het Stikstofbindingsbedrijf de productie onmiddellijk volledig op ammoniak zou omschakelen. De directie van de Staatsmijnen weigerde medewerking. Directeuren, ingenieurs en technici moesten met hun gezinnen onderduiken. Op 1 september 1944 werd de grote gashouder van de cokesfabriek van de Staatsmijn Maurits door de RAF in brand geschoten, waarna de productie van ammoniak moest worden gestaakt.

De bevrijding (september 1944)
Vlak voor de bevrijding van Geleen op 18 september 1944 roofden de Duitsers onder meer de steenkoolvoorraden en de platina katalysatoren uit de salpeterzuurfabriek.

De Duitsers hadden geen tijd gehad om de mijnen onder water te laten lopen, zodat de steenkoolproductie snel kon worden hervat. Maar om verschillende redenen kwam de productie slecht op gang. De mijnwerkers waren fysiek uitgeput, er waren materiële tekorten aan bijvoorbeeld voedsel, mijnhout, kleding, schoeisel en mijnlampen. En er was veel arbeidsonrust. De mijnwerkers waren ontevreden toen bleek dat de directies leidinggevende personeelsleden, die zich vóór of tijdens de bezetting extra gehaat hadden gemaakt door hun ‘jaag- en aandrijf-systeem’ en ‘Feldwebel-vloeken-snauwmethodes’, de hand boven het hoofd hielden. Ook viel het slecht dat de zuivering die in de lagere rangen werd doorgevoerd, zich niet had uitgestrekt tot de directies.
Veel mijnwerkers gingen iets anders doen en een maand na de bevrijding werkten er slechts 15.000 mijnwerkers in de mijnen. Door gebrek aan transportmiddelen groeide evenwel de steenkoolvoorraad bij de mijnen, maar zat men in Noord-Brabant in de eerste maanden na de bevrijding in de kou.

Door de afsnijding van Noord-Nederland van de Zuid-Limburgse mijnen ontstonden daar tijdens de hongerwinter 1944-’45 grote tekorten aan huishoudbrandstof. De hongerwinter kan daarom met recht ook als ‘kou-winter’ worden aangeduid.

De informatie in deze blogpost is ontleend aan Lou de Jong’s standaardwerk “Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog” (1969-1988), online beschikbaar via https://www.niod.nl/nl/download
Ga naar www.demijnen.nl om zelf op zoek te gaan naar foto’s uit de oorlogstijd.
Lees ook “Hoe het onder de grond begon”, “De ontdekking van de Mijngod” en “De eerste transitie: van steenkool naar chemie”.