maandag 26 oktober 2015

Inleiding tot de atletische sferologie

Naast de filosofische vraag “Waar bevindt de mens zich?”, die ik eerder beantwoordde aan de hand van het gedachtengoed van Sloterdijk, plaats ik nu de vraag: “Hoe blijft de mens in beweging?” Lees mijn persoonlijk antwoord.

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk beschrijft in zijn “Sferen”-trilogie de wereld als plaats WAAR de mens leeft aan de hand van sferen op drie niveaus: de micro-, de macro- en de plurale sferologie (zie mijn blogposts “Waar de zeepbel uiteenspat” van 13 april 2015, “Wat je kunt leren van een bol” van 1 juni 2015 resp. “Het leven is als een schuimparty” van 14 september 2015).

Ik voeg daar een vierde niveau aan toe: de sportieve, of beter gezegd atletische sferologie.

Atletische sferologie
Het valt niet te ontkennen dat sport in de moderne maatschappij een belangrijke rol speelt. Daarbij eisen balsporten de hoofdrol op, hoe interessant de beoefening van andere sporttypen of de verslaggeving daarover ook is. Vrijwel iedereen staat dus in een bepaalde verhouding tot balsporten en hier beschrijf ik ook mijn verhouding daartoe.

De filosofie van de atletische sferologie beschrijft de mens in beweging. Het gaat dan over de oefenende mens, over de mens in competitie, die triomfeert of verliest; het gaat over de gezonde en de geblesseerde mens, over sporters en trainers, over deelnemers en toeschouwers, over amateurs en professionals.
De atletische sferologie is multidisciplinair, want het raakt vele wetenschappelijke gebieden: de biologie, met name fysiologie en diëtetiek, de psychologie, de sociologie, de economie, de ruimtelijke ordening en de cultuur, met name media en architectuur.

De bewegende mens wil zijn conditie verbeteren door de juiste training en voeding. Hij moet bestand zijn tegen psychologische druk van tegenstrevers en publiek. De bewegende mens beoefent zijn sport dikwijls in teamverband en zonder geld van mecenassen (in de sportwereld doorgaans ‘sponsoren’ genoemd) is het, met name voor topsporters, niet vol te houden. Er moeten sportvoorzieningen worden aangelegd, zoals gymnastieklokalen, sporthallen en stadions – de amfitheaters van deze tijd. Tenslotte krijgt sport veel aandacht in de media, inclusief radio en tv. Voor de camera worden winnaars met lauwerkransen tot sportidolen gekroond.

Nationaal Stadion (Vogelnest) te Peking voor Olympische Spelen 2008
Artist impression Herzog & de Meuron

De bal
Sloterdijk gebruikt bellen, bollen (globes) en schuim als respectievelijke metaforen voor zijn sferologie, om aan te duiden WAAR de mens leeft. Voor de atletische sferologie is een soortgelijke metafoor beschikbaar: de bal. Dit is immers ook een driedimensionale sferische vorm, net als bellen, globes en schuim.
De bal als metafoor voor de bewegende mens.

Weliswaar wordt niet bij alle sporten een bal wordt gebruikt, maar als metafoor duidt de bal aan WAARMEE, met welk attribuut een sport beoefend wordt. Andere accessoires zijn bokshandschoenen, dartpijlen, sportschoenen, schaatsen, een zeilboot, een zwembroek, een schaakbord, een vishengel. Geen sport zonder outfit.
En vrijwel geen sport zonder arena: het grasveld, de boksring, de baan, het parcours, het stadion, de stek.

Mijn keuze voor de bal als metafoor bij uitstek voor de atletische sferologie wordt gerechtvaardigd door het enorme aantal beoefenaars van balsporten. De lijst verschillende ballen is lang: tafeltennisbal, tennisbal, hockeybal, biljartbal, jeu-de-boulesbal, honkbal, klootschietbal, kegelbal, volleybal, voetbal, basketbal, bowlingbal, enz. En dan zijn er nog de vervormde ballen, zoals de rugbybal, de badmintonshuttle en de werpdiscus.

Kwestie van smaak
Het verbaast je misschien dat ik via de opsommingen hierboven ook bezigheden opneem die naar jouw oordeel wellicht simpelweg spelletjes of hobby’s zijn. Ik zou de atletische sferologie graag breed willen definiëren, dus inclusief alle bezigheden die lichamelijk en/of mentaal een extra inspanning vereisen. Dus, als jij je kantoorwerk of je kookclub erbij wilt onderbrengen, omdat dit lichamelijk of mentaal iets extra’s van je vergt – vooruit dan maar (en definieer er je eigen metafoor bij).

Iets anders is welke sport je daadwerkelijk beoefent. Naast smaak en levenshouding is dit ook een kwestie van aanleg, talent, mentoren, geld, omgeving en cultuur. Het aantal Nederlandse bobsleeërs is ten opzichte van Oostenrijkers beperkt, omdat de Nederlandse omgeving niet meewerkt – logisch.

Hurling

En vooral in Ierland wordt vanouds hurling gespeeld, het vogelbekdier onder de balsporten (een bijzondere mengvorm van voetbal, rugby en hockey) – cultureel bepaald.

Laat ik mezelf als voorbeeld nemen: ik heb geen aanleg voor balsporten, ik verkeer in een gebrouilleerde verhouding tot alle miksporten. De laatste keer dat ik meedeed aan een voetbalwedstrijd was ik vlakbij de cornervlag opgesteld. Hier kon ik de minste schade aanrichten. Ik beloofde mezelf dat ik toen voor 't laatst een voetbalveld had betreden.
Aan die belofte heb ik me moeiteloos al ruim twintig jaar gehouden.

Verder herinner ik me de gymnastiekleraar uit mijn middelbareschooltijd, die uitriep, nadat ik de softbal redelijk goed had weggeslagen: “Klaas, raak! Rennen!
Ik haalde er bijna de schoolkrant mee, want meestal sloeg ik naast.

Ik speelde een tijdlang mee in een recreatief volleybalteam, waarbij gezelligheid hoog in het vaandel stond. Tijdens een jaarlijks volleybaltoernooi ontmoetten we andere recreatieve teams. Het aantal deelnemende teams was steevast gelijk aan onze ranking in het eindklassement.
Ik was dus ook geen winnaar in deze balsport. Om van tennissen maar te zwijgen.

Volledigheidshalve moet ik er in eerlijkheid aan toevoegen dat deze resultaten overeenstemmen met mijn ambities op het sportieve vlak: voor mij geen balsporten, vanaf de kleinste tot de grootste ballen, van golfballen tot skippyballen.

Bal in 2D
Toch wil ik mijn sportieve bezigheden – want die heb ik wel degelijk – graag onverkort bij de atletische sferologie onderbrengen. Dit vergt een kleine aanpassing van de metafoor waaraan ik hierboven de hoofdrol toebedeelde. Met dit driedimensionale object heb ik dus weinig op, maar ik heb wél een goede band met de tweedimensionale versie ervan, te weten de cirkel, het wiel, meer specifiek het fietswiel.

En zo kunnen gelukkig ook de sportieve prestaties van mij en mijn fietsmaten in het kader van de atletische sferologie worden beschreven.
En zo kan ik dus koers zetten naar volgende blogposts.

Lees ondertussen ook mijn post “Je moet anders gaan leven!” van 3 december 2013, want ook in dit verband is het gedachtengoed van Sloterdijk zeer van toepassing.

maandag 19 oktober 2015

Zijn wij niet allen patiënten?

De moderne mens brengt een groot deel van zijn tijd onder dak door, in kantoren, fabrieken en thuis. En dat kan niet ongestraft. Hierbij mijn ervaringen.


In de post “Van visvijver naar Toverberg” van 24 maart 2014 vertelde ik hoe ik vanwege een botbreuk in het ziekenhuis belandde. Terwijl ik nog herstellende was, ontving ik van het ziekenhuis een uitnodiging voor een botonderzoek.
Zo’n onderzoek is standaardprocedure voor personen van 50 jaar en ouder die een botbreuk hebben opgelopen.

Eerlijk gezegd had ik weinig trek in dat onderzoek. Het zou mij op voorhand tot patiënt bestempelen, terwijl ik me kerngezond voelde. Niet voor niets gebruiken ziekenhuizen het modernistische eufemisme ‘cliënt’. Toch ben ik gegaan.

Botonderzoek
Het zgn. DEXA-onderzoek (Dual Energy X-ray Absorbtiometry) behelst dat je lichaam bij je heupen onder een röntgenscanner wordt opgemeten. Dit wordt gevolgd door bloedafname.

Als je eenmaal onderwerp van medisch onderzoek bent, wil je ook de uitslag weten. Welnu, het bleek dat ik een milde vorm van botontkalking (osteoporose) had: osteopenie, een gevolg van vitamine D-insufficiëntie.
En wat kan ik daaraan doen, dokter,” was mijn vraag. Het antwoord luidde: vitamine D slikken, extra zuivel voor de calciumopname en over drie jaar het onderzoek nog eens herhalen.

Ik moest dus tabletten gaan slikken en was zo inderdaad patiënt geworden.

Maar zijn wij niet allen patiënten als het om vitamine D gaat?

Vitamine D
In de post “Eet je smakelijk of liever gezond?” van 28 september 2015 over “De voedselzandloper“ van Kris Verburgh noteerde ik het belang van ‘intelligente’ voedingssupplementen, zoals vitamine D.

De ontdekking van die voedingsstof hangt samen met de situatie in het laatnegentiende-eeuwse Engeland. Kinderen groeiden daar op in sterk vervuilde industriesteden en zagen amper daglicht. Het gevolg was een gebrekkige ontwikkeling van het skelet, wat zich uitte in O-benen, een symptoom van de Engelse ziekte (rachitis). Deze botaandoening ontstaat door een tekort aan vitamine D en calcium.

Het lichaam maakt onder invloed van zonlicht vitamine D aan uit een provitamine, dat van nature in de huid aanwezig is. Sinds 1930 wordt de vitamine ook kunstmatig geproduceerd in een fotochemische fabriek.

Volgens de overlevering werd het procedé bij toeval ontdekt door de bekende industrieel Anton Philips, die thuis in een zolderkamer bezig was met UV-lampen. Hij ging zo op in zijn werk, dat hij zijn vrouw vroeg de avondmaaltijd naar boven te brengen: mosselen. Hij bemerkte dat die mosselen onder de lamp verkleurden, door de omzetting van cholesterol in vitamine D.

Dit omzettingsverschijnsel werd door twee onderzoekers van het Natuurkundig Laboratorium van Philips in Eindhoven, Reerink en Van Wijk verder ontwikkeld. Dat leidde tot een nieuw bedrijf: Philips-Duphar te Weesp (sinds 1959 onder die naam). De productie van vitamine D begon daar in een voormalig magazijn van chocoladefabrikant Van Houten. De vitamine werd aan chocoladepastilles toegevoegd ter vervanging van levertraan. De cholesterol voor de productie van de vitamine haalt het bedrijf uit wolvet, dat voorkomt in de wol van schapen.
Philips-Duphar werd in 1990 verkocht aan het Belgische bedrijf Solvay.

Dit is een mooi voorbeeld van serendipiteit, want Reerink en Van Wijk waren eigenlijk bezig met het ontwikkelen van de hoogtezon om rachitis met UV-licht te genezen.

Het geheim van een opgewekt humeur
De meeste geleerden zijn het erover eens dat het innemen van extra vitamine D nuttig is, in tegenstelling tot vele andere stoffen, zoals vitamine C, die we via een doorsnee-Westers voedingspatroon voldoende binnen krijgen.

Vitamine D is nodig voor sterke botten en voor voldoende spierfunctie. Het ondersteunt de weerstand én het draagt bij aan een goed humeur – vandaar dat ik de laatste tijd zo opgewekt rondloop en vandaar ook het tussenkopje boven deze paragraaf, naar de roman van H.C. ten Berge (1986).

Behalve vitamine D is meer nodig voor sterke botten, zoals voldoende beweging, training met gewichten, calcium, magnesium, een gezonde lifestyle, weinig koolzuur (via frisdrank), geen stress en vitamine K2.
Over deze factoren zijn de geleerden minder eenduidig dan over vitamine D. Zo blijkt extra calcium volgens recent onderzoek weinig zoden aan de dijk te zetten.*)

Wel is vitamine K2 belangrijk vanwege het activeren van enzymen die de calciumhuishouding reguleren en verkalking van zachte weefsels en ontkalking van de botten tegengaan. Vitamine D versterkt de effecten van vitamine K, dat we via zuivel, vooral kaas, binnenkrijgen.

Zoals in de inleiding gesteld, de moderne mens ziet te weinig zonlicht, hij zit teveel binnen. En zo ontwikkelde vitamine D-gebrek zich van een armoede- tot een welvaartsfenomeen.

Het tweede onderzoek
Drie jaar lang slikte ik braaf elke dag vitamine D, een capsule van 800 i.e. (dat is tweemaal de aanbevolen hoeveelheid) en at ik me het schompes aan kaas. Ik was dan ook zeer benieuwd naar de uitkomsten van het tweede onderzoek, dat recentelijk plaatsvond.

Maar voordat ik de resultaten opsom eerst een commercial break.

Zelf je vitamine D meten
Geen enkele 50-plusser – of iemand die veel binnen zit – zal wachten tot hij een been breekt om een botonderzoek te ondergaan. Maar wél je kun je zelf je vitamine D meten zonder bloedafname in een ziekenhuis.

Op Brightlands Chemelot Campus is het jonge bedrijf Dried Blood Spot Laboratory (DBSL) gevestigd, dat een eenvoudige methode van bloedonderzoek heeft ontwikkeld. Daarmee kunnen gehalten aan medicijnen, vitaminen en andere stoffen in het bloed worden vastgesteld. De bloedmonsters worden door middel van een vingerprik afgenomen, wat iedereen kan doen; DBSL verricht de analyse.

Via het bedrijf Vital Orange brengt DBSL een test voor consumenten op de markt, waarmee het vitamine D-gehalte kan worden bepaald. Ik mocht deze test ondergaan.

Ga voor meer informatie naar www.dbsl.nl.

De resultaten
De onderzoeksresultaten hebben betrekking op de botdichtheid op twee meetpunten en het vitamine D-gehalte in het bloed. De interpretatie vergt enig statistisch inzicht.

Botdichtheid
De gemeten waarden worden vergeleken met 30-jarigen (zij hebben de hoogste botdichtheid) en leeftijdgenoten.

Vergeleken met 30-jarigen zijn mijn waarden T = -1,8 voor meetpunt 1 en T = -1,5 voor meetpunt 2. D.w.z. dat mijn botdichtheid 1,8x resp. 1,5x de standaarddeviatie naar beneden afwijkt van het gemiddelde, wat erop neerkomt dat (uitgaand van een normale verdeling) 96% resp. 93% van de 30-jarigen een betere score heeft dan ik. Dat is niet best, maar iets beter dan drie jaar geleden, want toen waren de scores T = -2,0 en T = -1,6, wat erop neerkomt dat 97% resp. 94% van de 30-jarigen een betere score had.

De situatie is dus stabiel gebleven. Bij een T-score lager dan -2,5 wordt de diagnose botontkalking (osteoporose) gesteld.

De metingen worden ook vergelijken met leeftijdgenoten. Dan zijn de resultaten Z = -1,4 voor meetpunt 1 en Z = -0,6 voor meetpunt 2. D.w.z. dat mijn botdichtheid 1,4x resp. 0,6x de standaarddeviatie naar beneden afwijkt van het gemiddelde, wat erop neerkomt dat 92% resp. 73% van mijn leeftijdgenoten een betere score heeft dan ik. Dat is nog steeds niet geweldig, maar wederom beter dan drie jaar geleden, want toen waren de scores Z = -1,6 en Z = -0,8, wat erop neerkomt dat 94% resp. 79% van mijn toenmalige leeftijdsgenoten een betere score had.

In vergelijking met mijn leeftijdsgenoten heb ik dus een kleine verbetering bereikt. Diagnostisch heeft de Z-score vooral betekenis voor 70-plussers.

Vitamine D-gehalte
Het vitamine D-gehalte in mijn bloed bedraagt 72 nmol/liter, een forse verbetering ten opzichte van drie jaar geleden (36 nmol/l), maar lager dan de DBSL-test van enkele maanden tevoren (91 nmol/l).
De beoordeling is daarmee verbeterd van “onvoldoende” (30-50) naar “voldoende” (50-75), ofwel naar “goed” (“> 75”) op basis van de DSBL-bepaling.

Conclusie van de dokter
Er is geen verdere achteruitgang in botdichtheid.

Mijn conclusie
Vitamine D slikken is en blijft voor mij noodzakelijk en ik neem nog een blokje kaas terwijl ik dit schrijf (dit past ook in de Voedselzandloper).

Naschrift
De arts in het ziekenhuis vertelde dat vitamine D sinds kort via de zorgverzekering wordt vergoed. Zij schreef dus een apothekersrecept uit voor colecalciferol (vitamine D3). Voorlopig haal ik mijn vitamine D op eigen kosten bij de drogist (in Duitsland), want via de apotheek wordt het weliswaar vergoed, maar daarvoor wordt eerst mijn eigen risico aangesproken.

*) NRC Handelsblad, 30 september 2015.

maandag 12 oktober 2015

Walking through the Highlands

The best way to explore a region is undoubtedly on foot. This also applies to the Scottish Highlands, one of the most remote areas in northwestern Europe. We walked the West Highland Way from Inverarnan.


The West Highland Way, a walking route of 152 kilometers from Milngavie to Fort William, is the best way to get acquainted with the rugged Scottish Highlands. Milngavie (pronounced mill-guy) is located 10 kilometers north of Glasgow and Fort William is situated on Loch Linnhe.

The trail leads partly on ancient roads. Military roads were built in the 17th-18th century by the British to keep rebellious Scots under control. Here you walk about a relatively easy cobbled path. This also applies to the paths that were built in the same period to drive cattle from the Highlands to the Lowlands of Scotland.
There are also narrow mountain paths that are much harder to walk, because there you need to climb or descend.

From the path you can several Munros. Munros are the 284 peaks in Scotland over 3,000 feet high, according to the list that Sir Hugh Munro (1856-1919) published in 1891. The best known Munro is the Ben Nevis near Fort William, with 1344 m the highest mountain in Great Britain.

Drovers Inn Hotel

Haunted house
We started our hike in Inverarnan. This is no more than a hamlet, but it has one point of interest: the Drovers Inn Hotel, since 1705 a stopping place for travelers and cattlemen. It is known as a haunted house and the hall full of stuffed animals, including a brown bear, helps to confirm that picture. Nevertheless – or precisely for that reason – the building is still used as a hotel.

Glen Falloch

The section between Inverarnan and Crianlarich goes through the Glen Falloch. There is no village, only a few houses; you will find sheep, meadows and barren mountainside. The Falloch River flows through the valley along the main road, a railroad, a power line and the West Highland Way.

The center of the world
Crianlarich has only 185 inhabitants, but proudly calls itself "the gateway to the Highlands". Here the main roads from Glasgow and Edinburgh meet, and the railway north splits here in two branches. Due to this central location, there are reportedly more signs in Britain pointing to Crianlarich than to any other place in Britain, London included.

St. Fillan Priory

In Straith Fillan, between Crianlarich and Tyndrum, lies the ruins of St Fillan's Priory, named after St. Fillan, who came from Ireland in 717 to convert the Scots and Picts to Christianity. The National Museum of Scotland in Edinburgh preserves a relic of the saint, the bronze Bernane Bell. Not far off, the river widens into a kind of pond, the Holy Pole, that would cure insanity.

In 1740, an ore vein was discovered near Tyndrum. The traces of the lead industry are still clearly visible, despite the fact that already around 1850 the activity was stopped: at the place where the lead ore was processed, no single plant grows. The ore was transported to Inverarnan and melted there into pure lead, which was transported to Glasgow.
There are (controversial) plans to begin gold mining near Tyndrum.

Tyndrum is the smallest place in the UK (167 inhabitants) with two railway stations, one for the train to Oban and one for Fort William. This is explained by the geographic location: by dividing the railway from Glasgow already in Crianlarich, 16 km south, steep slopes are avoided.

Highland cow

Besides sheep you find Highland cows along (and on) the West Highland Way.

Bridge of Orchy

Bridge of Orchy is not much more than a hotel. The bridge over the Orchy was built here around 1750 by British Government troops.

Rannoch Moor

Through the moorland
The most spectacular part of the West Highland Way runs through Rannoch Moor, a heathland of 130 km2, that provides no shelter for walkers. The sprawling landscape looks like the Ice Age lasted until last year, instead of thousands of years ago. Because the trail runs along the flanks of the Black Mount Hills, you have a wide view over this empty land, in the distance fringed by mountains.

Stepping stones across a mountain stream

Crossing the pass
From Kingshouse to Kinlochleven is 29 km by car, but the walk is only 15 km. The shortcut is made via the largest climb of the West Highland Way, the Devil's Staircase (550 m). From this pass the trail descends to sea level, an attack on weak knees.

Desolate valley

In Kinlochleven, located on a very narrow fjord, the final section of the West Highland Way starts. After a climb from sea level, an old military road slowly descends through a desolate valley that opens near the Ben Nevis. Along the way there are two ruins of farms, no tree in sight, an empty country.

West Highland Line
For the return journey to Glasgow, the West Highland Line is a good option. One of the stops is Corrour. This is the highest (410 m) and most remote railway station in Great Britain. The train stops at a few buildings in the middle of the vast, barren Rannoch Moor. There are no villages in the area and there are no roads leading to Corrour. The railway was built here in the late 19th century on a layer of fagots and therefore the maximum speed is only 50 kmh.

West Highland Way
Many people walk the West Highland Way with full luggage, but the luggage transport has become here a real service, which we gratefully used. Where necessary, we also arranged transportation between the start/end point of the daily walk and our accommodation. Very decadent compared to the wild camping of brave (or rather: reckless) backpackers.

Who isn’t tired walking after the West Highland Way, can follow the Great Glen Way from Inverness to Fort William.
 
Question: who has walked the West Highland Way and what were your experiences?

Watch the video my daughter made about our journey in Scotland: https://vimeo.com/135977398.
A useful hiking guide is “
West Highland Way: Milngavie to Fort William” (British Walking Guide), 5th edition by Charlie Loram, publisher Trailblazer.
The map “
West Highland Way XT40” (scale 1 : 40.000) of Harvey Map Services is also recommended.
Hillwalk Tours organized our travel arrangements: www.hillwalktours.com. Please note that the number of accommodations, especially between Tyndrum and Fort William, is very limited.

This blog post is a repost of my (Dutch) August 17, 2015 post.
Read my May 20, 2013 blog post about the reason why of my English reposts.

maandag 5 oktober 2015

Waarom iedereen beter wordt van Chemelot InSciTe

Brightlands Chemelot Campus is een onderzoeksinstituut rijker: Chemelot InSciTe. Door versnelde innovatie willen de onderzoekers bijdragen aan oplossingen voor onze samenleving.

Miniplant-faciliteit van Chemelot InSciTe

Het Chemelot Institute for Science and Technology (InSciTe) is een publiek-private samenwerking tussen DSM, Technische Universiteit Eindhoven, Universiteit Maastricht/Maastricht Universitair Medisch Centrum+ en de Provincie Limburg. Daarmee is sprake van een Triple Helix-samenwerking tussen bedrijfsleven, onderwijs en overheid.
Deze organisaties willen waar mogelijk andere academische en industriële partijen bij hun activiteiten betrekken, ook het midden- en kleinbedrijf.

Open innovatie ecosysteem
De activiteiten van Chemelot InSciTe hebben betrekking op de ontwikkeling en toepassing van biomedische materialen en de duurzame productie van biobased materialen. Daartoe biedt het instituut een open innovatie infrastructuur met gedeelde faciliteiten, die de afzonderlijke partijen zich niet zelf kunnen permitteren. Er is voldoende gelegenheid om de onderzoeksresultaten verder te ontwikkelen tot business.
Voor het onderzoek en de daarvoor noodzakelijke faciliteiten heeft Chemelot InSciTe maar liefst 60 miljoen euro beschikbaar. Daarbij komt nog 30 miljoen euro die Chemelot InSciTe denkt te verwerven via partnerships, studiebeurzen en subsidies.
De Provincie Limburg investeert via Brightlands Chemelot Campus.

De uitdagingen waar we voor staan
Chemelot InSciTe richt zich vooral op twee uitdagingen waarvoor de hedendaagse samenleving zich geplaatst ziet. Ten eerste hoe we erin slagen om tegelijkertijd de gezondheid van een ouder wordende bevolking én ons zorgsysteem in stand te houden. Dit is het domein van de biomedische ‘poot’ van Chemelot InSciTe.
Ten tweede hoe we erin slagen om grondstoffen die van cruciaal belang zijn voor onze welvaart en welzijn te produceren zonder natuurlijke bronnen uit te putten en zonder het milieu aan te tasten. Dit is het aandachtsgebied van de biobased-afdeling van Chemelot InSciTe.

Chemelot InSciTe richt zich daarbij op de gezamenlijke ontwikkeling van een idee tot een product dat op de markt wordt gebracht. Daartoe combineert het instituut deskundigheid, experimenten, ondernemerschap en onderwijs. Dit komt onder meer naar voren via onderzoeksprojecten, laboratoria en proeffabrieken, startende bedrijven en proefschriften. Daarbij is open innovatie het toverwoord.

BIOMEDICAL: materialen slimmer maken
Door materialen slimmer te maken is betaalbare gezondheidszorg van goede kwaliteit mogelijk. Chemelot InSciTe biedt oplossingen op basis van biomedische materialen, die veilig in het menselijk lichaam kunnen worden toegepast. Daarbij moet je denken aan verschillende medicaties en de vervanging, reparatie en zelfs de hergroei van weefsel. Genezing en preventie komen zo in de plaats van dure chronische zorg.

Biomedische miniplant
Chemelot InSciTe beschikt op Brightlands Chemelot Campus over een splinternieuwe miniplant van 600 m2, waar elke onderzoeker op het gebied van biomedische materialen prima uit de voeten kan.
Er zijn drie secties: een open laboratorium (niveau 1), een gecontroleerd onderzoekslaboratorium (niveau 2) en (gesloten) GMP-gecertificeerde klasse B (ISO 5) cleanrooms voor klinische testen (niveau 3).*)
Naarmate het niveau van de sectie stijgt, daalt het aantal onderzoeksprojecten (door uitval van onbruikbare ideeën), het aantal betrokken onderzoekers en de oppervlakte die nodig is, terwijl de complexiteit en de cumulatieve kosten toenemen.

In de faciliteit staat apparatuur voor bijvoorbeeld het testen van materiaalmoeheid (bv. om de levensduur van een kunstknie vast te stellen), een scanning elektronenmicroscoop en een electrospinner voor het maken van zgn. scaffolds. Scaffolds (Engels voor steigers) zijn minuscule constructies die in het lichaam, bijvoorbeeld in een ader, worden geplaatst, waarna er lichaamscellen op groeien en het weefsel zich herstelt.
Daarnaast is er in de miniplant-faciliteit voldoende plaats voor apparatuur die onderzoekers zelf meebrengen.


Een in het oog springend biomedisch onderzoeksproject
Een van de biomedisch onderzoeksprojecten betreft de oogheelkunde (ophthalmologie). Het toedienen van geneesmiddelen in het oog is zeer onaangenaam voor patiënten met bijvoorbeeld maculadegeneratie of glaucoom. Het onderzoek richt zich op de wijze van toediening van die geneesmiddelen. Dat onderzoek gaat in de richting van een piepklein, spoelvormig hulpmiddel dat in het oog wordt geplaatst en dat het geneesmiddel gedurende langere tijd in de juiste dosering vrijgeeft.

Behalve oogheelkunde heeft het biomedisch onderzoek betrekking op toepassingen voor hart- en bloedvaten en orthopedie.

Pilot Plant complex met onder andere de biobased proeffabriek van Chemelot InSciTe
Artist impression BroekBakema

BIOBASED: slimmer materialen maken
Door op een slimme manier materialen te maken kunnen chemicaliën en materialen uit hernieuwbare grondstoffen worden geproduceerd. Chemelot InSciTe produceert dergelijke materialen, zgn. biobased building blocks (4Bs), die niet concurreren met de voedselketen, die water besparen en de kooldioxide-uitstoot verkleinen.

Biobased proeffabriek
Momenteel is de constructie van een gebouw voor proeffabrieken op Brightlands Chemelot Campus in volle gang. In dit complex brengen Sappi, Avantium en Technoforce hun proeffabrieken onder en ook Chemelot InSciTe vestigt hier een proeffabriek van 520 m2 voor de productie van biobased materialen.


Lignine als biobased bouwsteen
Een van de biobased onderzoeksprojecten betreft lignine, de bouwstof van planten die zorgt dat ze overeind blijven staan. Lignine heeft de natuurlijke neiging om af te breken; door dit fenomeen hebben oude boeken hun karakteristieke geur. Door de omzetting van lignine langs chemische weg gecontroleerd te laten plaatsvinden kunnen bouwstenen voor materialen worden verkregen. Het ontwerpen en opschalen van dit omzettingsproces is onderwerp van onderzoek.

Naast de weg van lignine naar 4Bs worden twee andere wegen onderzocht, waarbij hemicellulose resp. cellulose als grondstof dienen. Hemicellulose is een component van de celwand van planten, cellulose is tevens een bouwstof van planten, vooral bomen (waarin dus ook lignine zit).

Dit kan leiden tot de vervanging van fossiele grondstoffen, drop-in 4Bs, of tot heel nieuwe toepassingen, new 4Bs. Chemelot InSciTe maakt daarbij gebruik van de thermochemische, katalytische en biochemische deskundigheid die bij de partners aanwezig is.

Je kunt bij Chemelot InSciTe ook terecht voor de cursus “Werken in een proeffabriek”.

Samenwerking is cruciaal
Tijdens de officiële opening was er een toespraak door Koenraad Debackere, de directeur van de Katholieke Universiteit Leuven, waar men al veel langer dan in Geleen bezig is met campusontwikkeling.

Hij legde uit dat de samenwerking van een bedrijf met universiteiten leidt tot een hogere omzet van nieuwe producten, terwijl de samenwerking met leveranciers en klanten een stimulans is voor de omzet van verbeterde producten.

Debackere presenteerde zijn eigen versie van de Triple Helix, die aangeeft wat voor goede resultaten nodig is: ondernemerschap, samenwerking en goed beheer van intellectueel eigendom. Als bedrijven onderling samenwerken zijn ze vaak beducht voor de daarmee samenhangende risico’s (vooral het verlies van intellectueel eigendom). Via de samenwerking tussen bedrijven en universiteiten kunnen dergelijke risico’s worden verkleind - en dat is precies wat gebeurt bij Chemelot InSciTe.

De officiële start van Chemelot InSciTe vond plaats op 28 september 2015, voor meer informatie: www.chemelot-inscite.org.
*) Meer informatie over (de classificatie van) cleanrooms: https://nl.wikipedia.org/wiki/Cleanroom.