maandag 31 augustus 2015

In het spoor van kolen en ijzer

Een dichtgetimmerd seinwachtershuisje, enkele met graffiti bekladde wagons, enkele vergeten seinposten en een in onbruik geraakt station. Stille herinneringen aan de oude glorietijd van een spoortraject. Je fietst eraan voorbij als je de Vennbahn volgt.

Voormalig station Raeren

Raeren is een Duitstalige gemeente in België, halverwege Aken en Monschau. Hier vind je restanten van een oude spoorlijn, de Vennbahn. Tegenwoordig is het een 125 km lange fietsroute tussen Aken en Troisvierges, die tamelijk nauwkeurig het oorspronkelijk spoorwegtracé volgt.

Voor steenkool en ijzer
De Vennbahn was een belangrijke logistieke verbinding tussen het industriegebied rond Aken en de staalfabrieken in Luxemburg. Vanaf 1889 ging steenkool van noord naar zuid en ijzer in de tegenstelde richting. Tot de Eerste Wereldoorlog reden de treinen hier dag en nacht. Daarnaast werd de spoorlijn ook voor personenvervoer gebruikt.

De spoorlijn werd inzet van grensconflicten tussen België en Duitsland, met als gevolg dat er langs de baan nog steeds vijf Duitse enclaves zijn. Ook werd de spoorlijn tijdens de Tweede Wereldoorlog, met name in St. Vith, zwaar beschadigd.

Nu is de Vennbahn een mooie toeristische fietsroute, weliswaar deels over gravel, maar zeer verkeersluw. De Vennbahn is onderdeel van het RAVeL-fietsnetwerk in Wallonië (L48 en L47), dat over oude spoorbanen is aangelegd. Doordat deze zo veel mogelijk langs hoogtelijnen meanderen, zitten er weinig steile hellingen in de routes. Je kunt zo relatief gemakkelijk door een heuvelachtig gebied fietsen.

De Vennbahn voert langs dorpen en stadjes waar ooit een station was. Alleen op het startpunt Aachen-Rothe Erde en op het eindpunt, in het Luxemburgse Troisvierges, kun je ook tegenwoordig nog op de trein stappen.


Raeren
Tot 1850 was Raeren het bolwerk van de pottenbakkers in het Rijngebied. In de 16e eeuw waren er meer dan 50 pottenbakkers. Het aardewerk uit Raeren vond via Keulen zijn weg over de hele wereld. Er is in Raeren een pottenbakkersmuseum.
De bevolking van Raeren heeft zich verzet tegen de komst van de spoorlijn met als gevolg dat het station ver buiten het dorp kwam te liggen.

Roetgen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog, op 12 september 1944 bereikten Amerikaanse soldaten, onder wie de schrijver Ernest Hemingway, Duitsland in Roetgen. Voordat aan het Derde Rijk een einde kwam moest deze streek echter nog het Ardennenoffensief doorstaan.

Monschau
Een bezoekje aan het toeristische Monschau vanaf de Vennbahn gaat gepaard met een behoorlijke afdaling en vervolgens een stevige klauterpartij om weer op de route terug te keren. In de 17e eeuw kwam dit stadje tot bloei dankzij de lakennijverheid, die tussen 1765 en 1790 een hoogtepunt bereikte. Monschau werd toen een merknaam voor laken. Mechanisering, gewijzigde politieke verhoudingen en nieuwe mode leidden tot een crisis. De Vennbahn kwam te laat om de textielindustrie te redden en in 1908 sloot de laatste lakenfabriek in Monschau.

 
Voormalig station Sourbrodt

Sourbrodt
Het station in Sourbrodt werd gebouwd als pronkstuk van de Vennbahn. Voor de inwoners van dit dorp was de Vennbahn een belangrijke werkgever.

 
Freiherr-von-Korff-viaduct te Born

Born
In Born vinden we een 285 m lang viaduct met elf bogen, dat stamt uit 1916. Deze is tijdens de Eerste Wereldoorlog gebouwd voor een aftakking van de Vennbahn naar Vielsalm, die na de Tweede Wereldoorlog buiten gebruik werd gesteld.

Burcht van Burg-Reuland

Burg-Reuland
Ter hoogte van Burg-Reuland heb je vanaf de Vennbahn een mooi uitzicht op de burcht, die uit de Middeleeuwen stamt. Reuland lag op de verbindingsweg tussen St. Vith en Luxemburg in de tijd dat de postkoets nog een belangrijk vervoersmiddel was. Met de Vennbahn kwamen aan het einde van de 19e eeuw de eerste toeristen naar Reuland.

Troisvierges
Op 5 november 1889 werd in Troisvierges de eerst trein uit Aken begroet. De treinreis duurde (in 1924) vier uur. Het Vennbahn-spoor werd in 2001 volledig opgeheven, na enkele jaren toeristisch gebruik. Tegenwoordig is de fiets hier het transportmiddel bij uitstek om van het landschap te genieten.

Vraag: welke lange-afstandsfietsroute kun jij aanbevelen?

Meer informatie over de Vennbahn: www.vennbahn.eu/nl 
Meer informatie over het RAVeL fietsnetwerk: http://ravel.wallonie.be

maandag 24 augustus 2015

Opkomst en neergang van een elektrisch dorp

We beklimmen de Devil’s Staircase, het hoogste punt van onze wandelingen door de Schotse Hooglanden. Het begint steeds harder te regenen en te stormen. Dit is de West Highland Way – de ‘West Highland River’. Maar ons ongemak is niets vergeleken met de ontberingen van reizigers honderd jaar geleden.


De afdaling vanaf de pas eindigt in het plaatsje Kinlochleven, zoals ik al schreef in mijn blog “Te voet door de Hooglanden” van 17 augustus 2015.


Tot 1922 kon dit dorp uitsluitend over water bereikt worden of te voet via de Devil’s Staircase. Over deze pas (550 m) liep een oude militaire weg die tussen 1725-1739 door generaal George Wade (1673-1748) werd aangelegd. Zijn soldaten gaven de steile klim z’n huidige, onheilspellende naam.

De oversteek via de Devil’s Staircase was namelijk een gevaarlijke onderneming, vooral tijdens donkere winterdagen, als het vroor, sneeuwde en stormde. In 1909 zijn hier enkele werklieden om het leven gekomen.

Toch waren er genoeg mensen die de oversteek waagden, want Kinlochleven was aan het begin van de 20e eeuw booming. In 1922 was de weg, die met hulp van Duitse krijgsgevangenen werd aangelegd, gereed, waardoor het dorp veel gemakkelijker bereikbaar werd.

Kinlochleven ligt aan het einde van een lang fjord, Loch Leven. Aangezien de doorgaande weg van Glasgow naar Fort William dit fjord bij de smalle monding oversteekt, trekt het dorp tegenwoordig uitsluitend bestemmingsverkeer en een bescheiden stroom toeristen.
Een sarcastisch gezegde duidt aan hoe je de plaatsnaam uitspreekt: “The best thing about Kinlochleven is leavin’.”


De aluminiumsmelterij
De oorzaak dat Kinlochleven werd opgestuwd in de vaart der volkeren was de bouw van een aluminiumsmelterij, die in 1909 in productie ging. Kinlochleven, omstreeks 1900 nog slechts een gehucht, was daarvoor bijzonder gunstig gelegen.

Aluminium is een veelzijdig constructiemateriaal, waarnaar begin 20e eeuw een toenemende vraag ontstond. Voor het winnen van aluminium uit bauxiet is elektriciteit nodig; de bauxiet werd geïmporteerd, bijvoorbeeld uit Suriname.


De elektriciteit werd geleverd door waterkracht. In de Hooglanden boven Kinlochleven werd een grote stuwdam, 914 m lang en 27 m hoog, gebouwd, waarachter het Blackwater Reservoir ontstond.


Het water werd via een 6 km lang aquaduct en pijpleidingen van 13 km naar Kinlochleven geleid, waar turbines de stroom voor de smelterij opwekten. De capaciteit van de centrale bedroeg aanvankelijk 20 MW en werd naderhand met 10 MW vergroot. Dit komt neer op het vermogen van ruwweg tien moderne windturbines.

De bouwstoffen en de bauxiet werden over water aangevoerd en daarvoor was het nodig om Loch Leven bij de zeemonding te verdiepen.

Dit hele systeem was een sterk staaltje ingenieursvernuft, vooral omdat de constructies in ruw, nauwelijks toegankelijk terrein gebouwd werden. Het resultaat was een – voor die tijd – uiterst moderne industriële installatie, waar aluminium met een hoge graad van zuiverheid werd geproduceerd.


Het elektrische dorp
De aluminiumsmelterij had personeel nodig en de exploitant deed er alles aan om het leven van de medewerkers (en hun gezinnen) zo aangenaam mogelijk te maken. Er werden moderne huizen gebouwd en er kwamen allerlei voorzieningen. Ik schat in dat deze situatie vergelijkbaar was met de mijnbouw in Zuid-Limburg.


En zo werd Kinlochleven een van de eerste plaatsen in Groot-Brittannië die werd voorzien van elektrisch licht, zowel straatverlichting als in de woningen. Kinlochleven werd ‘the Electric Village’ genoemd. De bewoners zijn nog steeds trots dat zij eerder elektrisch licht hadden dan Buckingham Palace, waar de Queen zich toen nog met gasverlichting moest behelpen.

Neergang en conversie
Aan het einde van de vorige eeuw werd duidelijk dat de aluminiumsmelterij, toen onderdeel van Rio Tinto Alcan (omzet 2014: $51 miljard), door de beperkte schaalgrootte de wereldwijde concurrentiestrijd niet langer aankon. In 1996 kwam de onvermijdelijke sluiting; de waterkrachtcentrale bleef in bedrijf als algemene nutsvoorziening.


De bevolking van Kinlochleven (voorzover deze achterbleef) richtte zich op het toerisme. Zo werd geprofiteerd van de ligging aan de West Highland Way. Het dorp is een uitvalsbasis voor bergbeklimmers – rond het plaatsje liggen genoeg bergen. Om te oefenen werd in 2003 in een overgebleven productiehal ‘s werelds grootste indoor ijsklimwand, de Ice Factor, gebouwd (toen wij er waren was deze gesloten in verband met brand). Vlak ernaast vestigde zich een microbrouwerij, waar River Leven pilsener wordt gebrouwen – proost op Kinlochleven!

maandag 17 augustus 2015

Te voet door de Hooglanden

De beste manier om een gebied te verkennen is ongetwijfeld te voet. Dit geldt ook voor de Schotse Hooglanden, een van de meest afgelegen gebieden in Noordwest-Europa. Wij liepen de West Highland Way vanaf Inverarnan.


De West Highland Way, een wandelroute van 152 kilometer van Milngavie naar Fort William, is dé manier om met de ruige Schotse Hooglanden kennis te maken. Milngavie (spreek uit: mill-guy) ligt 10 kilometer ten noorden van Glasgow en Fort William is gelegen aan het fjord Loch Linnhe.

De wandelroute voert deels over eeuwenoude verbindingswegen. Militaire wegen werden in de 17e-18e eeuw aangelegd door de Engelsen om rebellerende Schotten onder de duim te houden. Je loopt daar over een relatief gemakkelijk keienpad. Dat geldt ook voor de paden die in dezelfde periode werden aangelegd om vee van de Hooglanden naar de Laaglanden van Schotland te drijven.
Verder zijn er smalle bergpaadjes, die veel zwaarder lopen, mede doordat juist daar geklommen of gedaald moet worden.

Vanaf het pad kun je meerdere munro’s zien liggen. Munro’s zijn de 284 bergtoppen in Schotland van meer dan 3.000 voet hoog, volgens de lijst die Sir Hugh Munro (1856-1919) in 1891 publiceerde. De meest bekende munro is de Ben Nevis vlakbij Fort William, met 1344 m de hoogste berg van Groot-Brittannië.

Drovers Inn Hotel

Spookhuis
Onze startplaats Inverarnan is een gehucht, maar heeft een bezienswaardigheid: het Drovers Inn Hotel, al sinds 1705 een pleisterplaats voor reizigers en veedrijvers. Het staat bekend als spookhuis en de hal vol opgezette dieren, waaronder een bruine beer, helpt om dat beeld te bevestigen.
Niettemin – of juist om die reden – is het gebouw nog volop als hotel in gebruik.

 
Glen Falloch

Het traject tussen Inverarnan en Crianlarich gaat via het dal Glen Falloch. Hier ligt geen enkel dorp, slechts enkele woningen; je vind er schapenweiden en kale bergflanken. Hier lopen de Falloch River, een hoofdweg, een spoorlijn, een hoogspanningsleiding en de West Highland Way.

Het centrum van de wereld
Crianlarich telt slechts 185 inwoners, maar noemt zich trots “de poort tot de Hooglanden”. Hier komen de hoofdwegen vanuit Glasgow en Edinburgh samen en de spoorlijn naar het noorden splitst zich hier. Door die centrale ligging zijn er naar verluid in Groot-Brittannië meer verkeersborden die wijzen naar Crianlarich dan naar enige andere plaats in Groot-Brittannië, inclusief Londen.

 
St. Fillan Priory

In Straith Fillan, tussen Crianlarich en Tyndrum, ligt de ruïne van de St. Fillan Priory, genoemd naar St. Fillan, die in 717 vanuit Ierland hier naar toe kwam om de Schotten en de Picten tot het christendom te bekeren. In het National Museum of Scotland in Edingburgh wordt nog een relikwie van de heilige bewaard, de bronzen Bernane Bell. Vlakbij verbreedt de rivier zich tot een soort vijver, de Holy Pool, die krankzinnigheid zou genezen.

In 1740 werd vlakbij Tyndrum een loodertsader ontdekt. De sporen van de loodindustrie zijn nog duidelijk zichtbaar, ondanks dat de activiteit al omstreeks 1850 is gestopt: op de plaats waar de looderts werd verwerkt, groeit geen enkele plant. De erts werd vervoerd naar Inverarnan en daar omgesmolten tot puur lood, dat naar Glasgow werd vervoerd.
Er zijn (omstreden) plannen om nabij Tyndrum met goudwinning te beginnen.

Tyndrum is de kleinste plaats in Groot-Brittanië (167 inwoners) met twee spoorwegstations, één voor de trein richting Oban en één richting Fort William. Dit wordt verklaard door de geografische ligging: door de spoorlijn vanuit Glasgow al bij Crianlarich, 16 km zuidelijk, te splitsen worden steile hellingen vermeden.

Schotse Hooglander

Behalve schapen vind je langs (en op) de West Highland Way Schotse Hooglanders.

 
Bridge of Orchy

Bridge of Orchy is niet veel meer dan een hotel. De brug over de Orchy werd hier rond 1750 door Britse regeringstroepen gebouwd.

Rannoch Moor

Door het heideveld
Het meest spectaculaire deel van de West Highland Way loopt door Rannoch Moor, een heideveld van 130 km2, dat de wandelaar geen enkele beschutting biedt. Het uitgestrekte landschap ligt erbij alsof de IJstijd pas vorig jaar in plaats van duizenden jaren geleden voorbij was. Doordat de wandelroute over de flanken van de Black Mount Hills loopt, heb je een weids uitzicht over dit lege land, heel in de verte omzoomt door bergen.

 
Stepping stones over een bergbeek

Over de pas
Van Kingshouse naar Kinlochleven is 29 km met de auto, maar de wandeling is slechts 15 km. De afkorting wordt bereikt via de grootste klim van de West Highland Way, de Devil’s Staircase (550 m). Vanaf deze pas daalt het bergpad af tot op zeeniveau, een aanslag op zwakke knieën.

 
Desolaat dal

In Kinlochleven, gelegen aan een zeer nauwe fjord, start de laatste etappe van de West Highland Way. Na een klim vanaf zeeniveau daalt een oude militaire weg langzaam af door een desolaat dal dat vlakbij de Ben Nevis uitkomt. Onderweg liggen er twee ruïnes van boerderijen, geen boom te bekennen, een leeg land.

West Highland Line
Voor de terugreis naar Glasgow is de West Highland Line een goede optie. Deze trein stopt onder andere in Corrour. Dit is het hoogstgelegen (410 m) en meest afgelegen station van Groot-Brittannië. De trein stopt er bij enkele gebouwen middenin het uitgestrekte, kale veengebied Rannoch Moor. Er zijn geen dorpen in de buurt en er leiden geen wegen naar toe. De spoorlijn is hier eind 19e eeuw aangelegd op een laag takkenbossen en daarom is de maximum snelheid slechts 50 km per uur.

West Highland Way
Velen lopen de West Highland Way met volle bagage, maar het bagagetransport heeft zich hier tot een kleine bedrijfstak ontwikkeld waarvan wij dankbaar gebruik maakten. Waar nodig hebben we ook het vervoer tussen het begin/eindpunt van de dagelijkse wandeling en onze accommodatie geregeld. Heel decadent in vergelijking met het wildkamperen van (over)moedige backpackers.

Wie na de West Highland Way nog niet genoeg gelopen heeft, kan vanuit Fort William de Great Glen Way naar Inverness volgen.

Vraag: wie heeft de West Highland Way gelopen en wat waren de ervaringen?

Bekijk de video die mijn dochter van onze vakantie in Schotland maakte: https://vimeo.com/135977398
Een handige wandelgids is “West Highland Way: Milngavie to Fort William” (British Walking Guide), 5th edition door Charlie Loram, uitgeverij Trailblazer.
Daarbij is de kaart “West Highland Way XT40” (schaal 1 : 40.000) van Harvey Map Services een aanrader.
Hillwalk Tours verzorgde ons reisarrangement. Bedenk dat het aantal accommodaties, zeker tussen Tyndrum en Fort William, zeer beperkt is.