maandag 21 december 2015

Hoe de wereld dit jaar dichterbij kwam

December is de maand van jaaroverzichten. Ik vraag me af hoe 2015 de geschiedenisboekjes ingaat. Die vraag roept vooral nieuwe vragen op.

 
In 2004 zond de KRO het programma “De grootste Nederlander” uit. Pim Fortuyn eindigde op de eerste plaats, ex aequo met Willem van Oranje. Dit opmerkelijke resultaat kwam doordat Fortuyn kort tevoren (2002) was vermoord. Ik zou verbijsterd zijn als nu, elf jaar later, Fortuyn het opnieuw tot grootste Nederlander zou schoppen.

Pas na verloop van tijd is een juist oordeel mogelijk over de plaats van personen en gebeurtenissen in de geschiedenis. Het is dan ook speculatief om nu al over de gebeurtenissen van dit jaar zo’n oordeel te vellen.

Memorabel in 2015
Hier de twee meest gedenkwaardige gebeurtenissen van dit jaar, die kans maken om in de geschiedenisboekjes te komen, waarover romans geschreven of speelfilms gemaakt worden:
1. De terroristische aanslagen in Parijs.
2. De migrantenstroom naar West-Europa.

Terrorisme in Parijs
De aanslagen op 7 januari (Charlie Hebdo en een joodse supermarkt door Al-Qaida, totaal 20 doden) en 13 november (theater Le Bataclan, twee restaurants en een voetbalstadion door de Islamitische Staat, 130 slachtoffers) hebben ons diep geschokt. Uit solidariteit riepen velen “Je suis Charlie” en gingen tal van Facebook-foto’s schuil achter de Franse vlag.

Vóór 1 januari waren er ook al terroristische aanslagen in West-Europa (Londen, Madrid). We werden murw door aanhoudend nieuws over aanslagen in Nigeria, Mali (Boko Haram) en Syrië, Irak (IS) – ver van ons bed. Terwijl je misschien die aanslag op 25 juni bij een chemische fabriek in Lyon, waarbij een persoon werd onthoofd, alweer was vergeten of dat de dag erna in Tunesië 28 badgasten op het strand voor een hotel met een kalashnikov werden vermoord.

Nu – na 13 november – overheerst het gevoel dat onze beschaving ernstig wordt bedreigd. Ik zie een trendbreuk: terreur komt niet alleen van fanatici uit verre landen. In onze Westerse samenleving vinden jonge mensen voldoende grond om te ontsporen, om tot de vreselijkste misdaden te komen en niemand ontziend angst te zaaien – home grown.

Onze samenleving – met een sleutelrol voor ‘de overheid’*) – staat voor de moeilijke taak om de juiste tegenmaatregelen te nemen; er wordt een dringend beroep gedaan op het immuunsysteem van onze maatschappij. Hoe radicalisering te stoppen in een open samenleving?
In eigen land spitst de discussie zich toe op de lastige afweging tussen repressieve acties, zoals het monitoren van mobiel telefoonverkeer, en behoud van vrijheid. Laat het niet zo ver komen dat we alleen nog via detectiepoortjes toegang tot ‘het leven’ krijgen!

Daarnaast is er de behoefte om vooral in Syrië eens orde op zaken te stellen. Tot op heden durft geen enkel Westers land er een grondoorlog aan te gaan: veel te riskant, want door de IS is de definitie van oorlog totaal veranderd. Wat is dat voor een oorlog met strijders die ook onder ons wonen en onder de radar weten te blijven? Wanneer is in die oorlog een slag gewonnen? Wanneer is die oorlog gewonnen? Wie tekent de capitulatie als ‘wij’ hebben overwonnen?
Met het oog op de IS zijn zulke vragen ridicuul. Een oorlog met de IS is een oorlog zonder precedent! Het vraagt alles van de wijsheid, eenheid en vastberadenheid van de wereldgemeenschap.

Verder zal het helaas dikwijls gebeuren dat de goeden het met de kwaden moeten vergelden; ik geloof niet dat elke Syriër of Malinees – of wie daar op lijkt – een terrorist is, maar wél dat ze erop worden aangekeken. Ik las ergens: “Wie recht in de zon (de geloofsfanatici, gewelddadigen) moet kijken, heeft geen oog meer voor de sterren (de gematigden, andersdenkenden, rechtschapenen, rechtvaardigen).”

Migranten in West-Europa
De migrantenstroom beheerste het nieuws vrijwel het hele jaar en was ook vóór 1 januari al volop gaande. Het is dus lastig een datum te prikken. Toch noem ik 5 september, toen 7 à 8.000 migranten toestemming kregen om van de Oostenrijks-Hongaarse grens door te reizen naar München. Er werd vervolgens op regeringsniveau gesproken over het verdelen van 160.000 vluchtelingen over de Europese Unie.

Dit jaar waren vooral Syriërs in het nieuws. Zij werden niet alleen door de IS uit hun land verjaagd, ook zijn velen van hen op de vlucht voor president Assad.
Stel je eens voor: jouw huis, jouw straat, jouw stad is volledig in puin geschoten. Je legt met gebrekkige, soms ronduit levensgevaarlijke transportmiddelen een lang reis af naar een beter leven – naar een leven. Niemand doet dat voor z’n genoegen.

Het stelt ons voor de nodige problemen. Het is een zeer ongewoon beeld: groepen migranten die over de vluchtstrook – in dit verband letterlijk te nemen – via de Balkan richting Duitsland marcheren. Die aan de grenzen luidkeels doorgang eisen, bij Calais de Kanaaltunnel bestormen en soms klagen over het comfort van hun in allerijl klaargemaakte noodopvang.

Wanneer de komst van migranten bij mij zulke tegengestelde overwegingen losmaakt, dan vind ik het niet verwonderlijk dat dit ook leidt tot scherpe tegenstellingen in de samenleving. Tijdens inspraakavonden her en der in het land werd het conflict tussen barmhartigen en xenofoben dan ook op de spits gedreven.

En zo is ook bij dit thema sprake van een trendbreuk: vóór 2015 hoorde je niet veel anders over vluchtelingen dan dat ze op Lampedusa aankwamen. Nu vinden ze opvang in leegstaande gebouwen en tentenkampen in onze directe omgeving. De ‘wereld’ is dit jaar dichterbij gekomen.

Ik gun al die migranten zicht op een veilige toekomst. En ook hier ligt een delicate taak voor ‘de overheid’)*, namelijk hen een handje te helpen bij hun afweging: een toekomst bij ons of terug naar eigen land. En wie terugkeert staat voor de moeizame taak om een vervallen land weer op te bouwen.

Rimpelingen in geschiedenis?
Er was natuurlijk meer dat ons in 2015 bezighield, zoals de verkiezingsoverwinning van Syriza in Griekenland op 25 januari en onze kennismaking met premier Tsipras en zijn minister van Financiën Varoufakis. Of het conflict in Oost-Oekraïne, wat aanleiding was voor een audiëntie van de Duitse kanselier Merkel en de Franse president Hollande bij president Poetin in Moskou op 6 februari. En welk staartje krijgt het neerhalen van een Russisch gevechtsvliegtuig door de Turken op 24 november?

Bij dat alles is het de vraag of 2015 – over enige tijd bezien – meer zal zijn dan een rimpeling in de geschiedenis. Ik ben dan ook benieuwd welk stuk wrakhout van het vergane jaar 2015 op de kust van de historie zal aanspoelen.

Vraag: wat is jouw super-historische 2015-moment?

*) Ik plaats ‘de overheid’ tussen aanhalingstekens, want het is gemakkelijk gezegd: “De overheid moet het oplossen,” maar wat/wie is dat eigenlijk, ‘de overheid’?

maandag 14 december 2015

2015: 80 – 75 – 50 – 40

Er gaat geen jaar voorbij of er wordt wel iets herdacht dat dan honderd, vijftig of tien jaar geleden is gebeurd: historische gebeurtenis of het geboorte- of sterfjaar van een beroemde figuur. Ik noem enkele herdenkmomenten in 2015 rond Chemelot.

Julianakanaal bij Stein

Een historisch jaar is bijvoorbeeld 1715: toen stierf de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV. Of 1815: Slag bij Waterloo. En in 1915 publiceerde Einstein de algemene relativiteitstheorie. Dat is nu 300, 200 resp. 100 jaar geleden.
Bij mij komen vier andere getallen op, herdenkmomenten van 80, 75, 50 en 40 jaar geleden in relatie tot Chemelot.

1935: opening Julianakanaal
80 Jaar geleden werd het Julianakanaal geopend, dat parallel aan de Maas van Maastricht naar Maasbracht loopt. Dit kanaal was cruciaal voor de afvoer van steenkool en kunstmest naar afzetgebieden in Nederland, Duitsland en verder.
Er waren in 1935 in Zuid-Limburg twaalf steenkoolmijnen in bedrijf: de staatsmijnen Wilhelmina, Emma, Hendrik en Maurits en de particuliere mijnen Oranje-Nassau I, II, III en IV, Laura, Julia, Willem-Sophia en de Domaniale. Kunstmest werd bij de Staatsmijn Maurits geproduceerd.

In 2015 is het Julianakanaal nog steeds een belangrijk onderdeel van het waterwegennetwerk in Nederland. In opdracht van Rijkswaterstaat wordt gewerkt aan het verbreden van het kanaal om grotere schepen te kunnen verwerken. En OCI Nitrogen stelde in de Chemelot-haven te Stein een terminal voor vloeibare kunstmest en ammoniak in gebruik om het transport van deze producten per binnenvaartschip mogelijk te maken.

Centraal Laboratorium 1940

1940: opening Centraal Laboratorium
75 Jaar geleden werd het Centraal Laboratorium van DSM geopend. Ik heb me laten vertellen dat koningin Wilhelmina kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de officiële openingshandeling verrichtte. Het laboratoriumgebouw werd ingericht naar aanwijzingen van de DSM-directeur Van Iterson, die kort tevoren naar Amerika was gereisd om te zien hoe de grote chemische bedrijven daar hun onderzoek hadden georganiseerd.

Het Centraal Laboratorium is inmiddels fors uitgebreid en omgedoopt naar Brightlands Chemelot Campus. In 2015 gingen hier twee onderzoekscentra van start: het Brightlands Materials Center en Chemelot InSciTe. Het Brightlands Materials Center is gericht op onderzoek naar polymere materialen (plastics). Chemelot InSciTe houdt zich bezig met de ontwikkeling en toepassing van biomedische materialen en de duurzame productie van biobased materialen.

Transition as tradition

1965: aankondiging mijnsluiting
50 Jaar geleden kondigde de toenmalige minister van Economische Zaken Joop den Uyl aan dat de mijnen in Limburg gingen sluiten, omdat de steenkoolwinning niet langer rendabel was door de opkomst van het aardgas en door goedkope kolenimport. Nieuwe werkgelegenheid werd gecreëerd in onder andere de textielindustrie (Macintosh), de kunststofverwerking (Curver) en bij de rijksoverheid (ABP en CBS).

In 2015 werd uitgebreid bij de mijnsluiting stilgestaan: het Jaar van de Mijnen. Daarbij werd gewezen op de transitie van de bedrijvigheid rond de mijnen, die onder meer heeft geleid tot Chemelot en Brightlands Chemelot Campus.
Die transitie is zeker indrukwekkend, maar soms wordt daarbij opgemerkt dat de chemische industrie in Geleen pas na de sluiting van de Staatsmijn Maurits in 1967 ontstond. Dit is niet correct: de chemie was al tientallen jaren eerder rond de Maurits ontstaan. Zo stonden in 1967 op het huidige Chemelot Industrial Park al fabrieken voor de productie van kunstmest, caprolactam, polyethyleen, synthetisch rubber en melamine. Die producten worden daar nu nog steeds gemaakt. Wel werden na 1967 onder meer acrylonitril, polyvinylchloride en polypropeen aan het productenpalet toegevoegd.

1975: explosie naftakraker 2
40 Jaar geleden, op 7 november 1975 vond de explosie plaats van naftakraker 2 op het huidige Chemelot-terrein. Daarbij vielen veertien doden te betreuren. Deze ramp heeft diepe indruk gemaakt. Iedereen die toen in de buurt was, had haar of zijn Kennedy-moment: je weet nog precies waar je was toen het gebeurde.
Bekijk het YouTube-filmpje: https://youtu.be/JFw4QWnnqBg

In 2015 werden Chemelot en de omwonenden geconfronteerd met een groot aantal incidenten die soms ernstige overlast gaven. De irritatie en ongerustheid die dat heeft opgewekt is begrijpelijk. Maar zonder daarvan iets af te doen, mogen we wel vaststellen dat het incident in 1975 veel ernstiger was.
Op Chemelot leren we nog steeds van elk incident en dat gold des te meer voor de explosie van naftakraker 2. Zo wordt nu inert stikstofgas gebruikt om te voorkomen dat stoffen in reactorvaten tot explosie kunnen komen (daar was bij naftakraker 2 niet in voorzien). En zo wordt de meetkamer van waaruit een fabriek wordt bestuurd niet meer middenin de fabriek geplaatst (zoals bij naftakraker 2), maar aan de rand ervan.

Lees “Breuken in het Heuvelland” van 15 juni 2015 voor meer informatie over de steenkoolwinning in Zuid-Limburg.
Lees ook “De ontdekking van de Mijngod” van 7 december 2015 voor een aardige anekdote over Staatsmijn Maurits.
En lees “Waarom iedereen beter wordt van Chemelot InSciTe” van 5 oktober 2015.

maandag 7 december 2015

De ontdekking van de Mijngod

Sint Barbara is de beschermheilige van de beoefenaars van gevaarlijke beroepen, waaronder mijnwerkers – dat is algemeen bekend. Maar wist je dat er ook een Mijngod is? Lees waar ik hem tegenkwam.

Barbarabeeld, Geleen

Afgelopen week, 4 december was de naamdag van de Heilige Barbara van Nicomedië, die volgens de overlevering omstreeks het jaar 205 door haar vader werd vermoord, omdat hij ontdekte dat zij zich tot het christendom had bekeerd. Zij staat bekend als een van de veertien Noodhelpers, want zij kan te hulp worden geroepen tegen brand, bliksem en storm. Zij is ook de beschermheilige van gevaarlijke beroepen als artilleristen en mijnwerkers, plus een reeks andere beroepen.

Het is dan ook geen wonder dat er voor de Loonhal van de Staatsmijn Maurits een Barbarabeeld staat, waar de heilige nog jaarlijks met bloemen wordt geëerd.
Maar Barbara heeft een protagonist, met wie je hieronder nader kennismaakt.

Loonhal Staatsmijn Maurits
De Loonhal is het centrale gebouw van de Staatsmijn Maurits, die van 1921 tot 1967 in bedrijf was. Het gebouw heeft een karakteristieke voorgevel in Amsterdamse stijl, versierd met een soort kantelen en met een voordeur geflankeerd door halfronde erkers. Deze gevel, evenals delen van het interieur, is rijksmonument.
Via dit gebouw en het badlokaal, dat daarachter ooit stond, gingen de mijnwerkers via een mijnschacht omlaag om steenkool te delven.

In de Loonhal werd aan het eind van de werkweek het loon in contanten aan de koempels uitbetaald. Ik heb me laten vertellen dat dit loon drie verschillende bestemmingen kreeg. Zo stonden voor de Loonhal de crediteuren klaar om achterstallige betaling op te eisen.
Zij die daaraan ontsnapten moesten langs ‘moeders de vrouw’ om bij haar het huishoudgeld in te leveren.
En wie daaraan ontkwam ging door naar het café, waar een groot deel van het zuurverdiende loon in drank en tabak werd omgezet.

De vraag
Ik mag mij tot een van de weinigen rekenen die tot de (voorlopige?) sluiting van de Loonhal in dat gebouw kantoor hield. In die periode (2008) werd ik benaderd door de Amsterdamse schrijver Pouw. Hij vroeg of ik wist waar het beeld de “Mijngod” van Brouwer stond.
Ik had geen idee.

Nou wil het geval dat ik toentertijd hielp bij het opzetten van een tentoonstelling over de Geleense beeldend kunstenaar Eugène Quanjel, waarvoor de Loonhal de locatie was. De organisator was Stichting Museum en Expositie Geleen (MEG). De vraag naar de Mijngod leidde ik door naar de mensen van deze stichting.

Er zijn allerlei archieven overhoop gehaald om de Mijngod te vinden. Er was wel wat informatie, maar niets leidde mij naar de locatie van het beeld.
Ik leerde dat de Mijngod bekend is onder de naam Kasper. Volgens de overlevering hielp hij de mijnwerker in nood, maar hij strafte als de mijnwerker iets deed dat niet in de haak was (‘een oude boze god’). – Met dank aan het zoekwerk door S.M., die zijn correspondentie steevast afsloot met “Glück Auf!

Ik gaf mijn halve antwoord door aan Pouw en daarmee was wat mij betreft de zoektocht naar de Mijngod doodgelopen. Andere zaken vroegen mijn aandacht.

Het antwoord
Korte tijd later ontving ik van Pouw een foto met de suggestie dat die misschien zou verraden waar het beeld van de Mijngod te vinden zou zijn:

Willem Brouwer werkend aan plastiek ‘Mijngod’,
gevelbekroning staatsmijn Maurits, Lutterade, 1923

Ik had geen idee waar hij die foto vandaan had, maar bij het bekijken ervan wist ik meteen waar de Mijngod te vinden was!
Er zijn zelfs vier mijngoden: de ‘kantelen’ op de voorgevel van de Loonhal.

Voorgevel Loonhal Staatsmijn Maurits

Tot op heden kijken de mijngoden met hun dreigende blikken Barbara recht in de ogen.

Detailfoto “Mijngod”/kanteel Loonhal

Willem Brouwer (1877-1933) was een Nederlandse keramist en beeldhouwer, die onder andere voor het Vredespaleis in Den Haag beeldhouwwerk heeft gemaakt.

De Mijngod
De Mijngod komt evident voort uit een legende, er valt dus weinig zinnigs te zeggen over zijn destructieve invloed: hoeveel mijnwerkers heeft hij daadwerkelijk voor hun wandaden gestraft?

Toch is de vrees voor destructie en straf niet ongegrond, maar een concreet aspect van het leven van de mijnwerker. Zo laten de statistieken zien dat alleen al in de Staatsmijn Maurits bijna 200 mijnwerkers zijn verongelukt, van wie 130 ondergronds (ook in de andere mijnen in Zuid-Limburg vielen doden te betreuren).

Hopelijk heeft Barbara vele andere mijnwerkers voor ongelukken behoed.

Glück Auf!

Zie ook “Breuken in het Heuvelland” van 15 april 2015.
Meer informatie over Stichting MEG: www.stichtingmeg.nl.

maandag 30 november 2015

De 9 beginselen van mijn blog

Na meer dan honderd blogposts is aan de orde welke uitgangspunten ik hanteer bij het publiceren van mijn blog en welke middelen ik daarbij gebruik.


In “7 Redenen om door te gaan na (meer dan) 100 blogposts” van 16 november 2015 stond ik stil bij een mijlpaal: ik publiceerde mijn honderste Nederlandse blogpost. Het produceren van blogs vergt de nodige voorbereiding, zoals: de selectie van het onderwerp, het schrijven van de tekst en het publiceren en bekendmaken ervan. Ik heb daarbij bewust of onbewust bepaalde uitgangspunten gehanteerd, die ik hieronder expliciet maak.

Uitgangspunten
Mijn uitgangspunten bij het bloggen zijn helder:
  1. Ik ben zelf verantwoordelijk voor mijn blogposts, ondanks dat ik de informatie uit allerlei bronnen bij elkaar sprokkel.
       
  2. Ik ben vrij in de keuze van mijn onderwerpen en wissel thema’s naar believen af. Ik schrijf geen voedselblog, geen reis-, automatiserings- of geschiedenisblog, geen Chemelot- of Brightlands-blog, ondanks dat ik over al die onderwerpen schrijf.
        
  3. Ik schakel geen proeflezers in, maar heb wél een enkele keer vooraf toestemming tot publicatie gevraagd, bijvoorbeeld voor “Snel weer gezond dankzij PathoFinder” van 12 augustus 2013 en “Scheiden doet verblijden” van 14 april 2014.
        
  4. Het is niet mijn doel om iets te verkopen of om iemand over te halen. Wél vind ik het mooi als lezers te kennen geven dat een artikel hen tot nadenken heeft aangezet.
        
  5. Een eenmaal gepubliceerde blogpost blijft op het internet staan (zolang de techniek beschikbaar blijft). Het is opmerkelijk dat oudere artikelen nog steeds worden bekeken, zoals “Op zoek naar een verdwenen dorp” van 27 mei 2013, een van mijn eerste artikel.
         
  6. Ongeveer een op de vijf posts publiceer ik in het Engels om niet-Nederlandse lezers ‘te bedienen’.
        
  7. In de vakantietijd sla ik enkele weken over en verwijs ik naar oudere blogposts.
         
  8. Jaarlijks verzamel ik mijn artikelen in een ebook (Nederlands en Engels).
         
  9. In “Disclaimer bij mijn blog” van 31 maart 2013 heb ik de disclaimer bij mijn blog vastgelegd, die ik in “Waarom een disclaimer voor sociale media” van 2 april 2013 heb toegelicht. Ook deze disclaimer vormt een uitgangpunt voor mijn blog.

Een ontwikkelingspuntje is de lengte van mijn artikelen: in mijn enthousiasme laat ik me dikwijls te zeer gaan.

Virtuele werkplaats
Zonder de hedendaagse technologieën zou het wekelijks produceren van een blogpost ondoenlijk zijn. Anders dan de werkplaats van een autogarage (zie de foto hierboven) is het benodigde gereedschap voor het bloggen niet lastig te verwerven: als je eenmaal een goed draaiende pc hebt, zijn ze gratis verkrijgbaar. Voor je het weet heb je je virtuele gereedschapskist gevuld.

Ik geef een opsomming van het gereedschap in mijn virtuele gereedschapskist:
    
  • Het internet als bron van informatie, waarbij ik Firefox als browser gebruik.
       
  • Microsoft OneNote voor het vastleggen van gedachten op computer, smartphone en tablet (gesynchroniseerd).
       
  • Microsoft Word voor het uitwerken van de teksten.
       
  • Microsoft Excel voor het plannen van de artikelen.
         
  • Microsoft SyncToy voor het offline veiligstellen van mijn teksten en bijbehorende bestanden.
         
  • Google Blogger als (gratis) publicatieplatform.
         
  • Google Analytics is (in eenvoudige vorm) in Blogger geïntegreerd.
         
  • Via Blogger kan men zich als abonnee aanmelden, de verzendlijst beheer ik met Google FeedBurner.
         
  • MailChimp voor het verspreiden van oudere blogposts onder de abonnees in vakantietijd.
         
  • Sociale media voor het bekendmaken van blogposts: Twitter, een Facebook-pagina (zie “Waarom is een Facebook-pagina soms beter?” van 23 juni 2014), LinkedIn en Google+.
         
  • Buffer voor het plannen van tweets en posts.
         
  • Bitly voor het verkorten van de internetadressen van de artikelen.
        
  • Voor de vertaling van mijn blogs wil ik nog wel eens een beroep doen op Google Translate en Linguee.
        
  • LinkedIn Slideshare voor het publiceren van de ebooks.
        
  • Sinds kort Snappa StockSnap voor gratis foto’s van goede kwaliteit en vrij van copyright (hoewel ik de voorkeur geef aan foto’s die ik zelf maakte).
         
  • En ook sinds kort Snappa voor het produceren van afbeeldingen bij tweets.

Zelf bloggen
Deze digitale gereedschapskist staat dus vrijelijk aan iedereen ter beschikking. Even googlen en de soms een (gratis) gebruikersaccount aanmaken en je kunt aan de slag met het publiceren van je eigen blog.

Oproep: vul je virtuele gereedschapskist en start je eigen blog! (en laat het me weten)

maandag 23 november 2015

Why everyone benefits from Chemelot InSciTe

Brightlands Chemelot Campus is home to a new research institute: Chemelot InSciTe. Through accelerated innovation the researchers want to contribute to solutions for our society.

Chemelot InSciTe biomedical facility

The Chemelot Institute for Science and Technology (InSciTe) is a public-private partnership between DSM, Eindhoven University of Technology, Maastricht University/Maastricht University Medical Center+ and the (Dutch) Province of Limburg. It’s a ‘Triple Helix’ collaboration between business, education, and government.
As much as possible, these organizations involve other academic and industrial parties in their activities, including SMEs.

Open innovation ecosystem
The activities of Chemelot InSciTe relate to the development and application of biomedical materials and the sustainable production of bio-based materials. To this end, the institute offers an open innovation infrastructure with shared facilities, which the individual partners cannot afford. There is ample opportunity to develop the outcomes of research into business.
For the research and the necessary facilities Chemelot InSciTe has a whopping 60 million euros at its disposal. In addition, Chemelot InSciTe intends to acquire 30 million euros through partnerships, scholarships, and grants.
The Province of Limburg invests via Brightlands Chemelot Campus.

The challenges we face
Chemelot InSciTe focuses particularly on two challenges the contemporary society faces. Firstly, how to sustain the health of an ageing population and simultaneously maintain our health care system. This is the domain of Chemelot InSciTe’s biomedical 'leg'.
Secondly, how to produce the resources that are crucial for our prosperity and welfare, without depleting natural resources and without harming the environment. This is the focus of Chemelot InSciTe’s bio-based department.

Chemelot InSciTe focuses on the joint development of an idea into a product, which can be marketed. To this end, the institute combines expertise, experimentation, entrepreneurship, and education. The outcome includes research projects, laboratories and pilot plants, start-ups, and dissertations. Throughout, open innovation is the magic word.

BIOMEDICAL: making smarter materials
By making the materials smarter, affordable and good quality health care is possible. Chemelot InSciTe offers solutions on the basis of biomedical materials that can be used safely in the human body. Examples include different medications and the replacement, repair, and even the regrowth of tissue. Healing and prevention replace expensive chronic care.

Biomedical facility
At Brightlands Chemelot Campus Chemelot InSciTe has a new 600 square meter facility at its disposal, an excellent working environment for every researcher in the field of biomedical materials.
In this facility are three sections: an open laboratory (level 1), a controlled research laboratory (level 2), and (closed) GMP certified class B (ISO 5) clean rooms for clinical testing (level 3).*)
As the level of the section increases, the number of research projects (unusable ideas are dropped), the number of researchers involved, and the area needed decrease, while complexity and cumulative costs increase.

In the facility is all kinds of equipment, such as instruments for testing material fatigue (e.g., to determine the durability of an artificial knee), a scanning electron microscope, and an electro-spinner for making so-called scaffolds. Scaffolds are minuscule structures to be placed inside the body, for example in a vein, allowing body cells to grow on it, to restore the tissue.
In addition, the biomedical facility has sufficient space for researchers to bring their own equipment.


A striking biomedical research project
One of the biomedical research projects concerns ophthalmology. The administration of drugs in the eye is very unpleasant, for example for patients with macular degeneration or glaucoma. The research focuses on the mode of administration of these drugs. This research is directed towards a tiny, spindle-shaped tool that is placed in the eye (ocular insert) to release the drug for a longer time of time in the correct dosage.

In addition to ophthalmology, biomedical research is conducted on applications for cardiovascular diseases and orthopedics.

Pilot Plant complex with the Chemelot InSciTe bio-based pilot plant
Artist impression Broekbakema

BIO-BASED: making materials smarter
By making materials smartly, chemicals and materials can be produced from renewable raw materials. Chemelot InSciTe produces such materials, so-called bio-based building blocks (4BS), that do not compete with the food chain, save water, and reduce carbon emissions.

Bio-based pilot plant
At Brightlands Chemelot Campus a pilot plant facility is currently under construction. The complex accommodates pilot plants for Sappi, Avantium, and Techno Force, while Chemelot InSciTe establishes here a pilot plant of 520 square meter for the production of bio-based materials.


Lignine as bio-based building block
One of the bio-based research projects involves lignin, the material that makes plants stand upright. Lignin has the natural tendency to break down; this phenomenon gives old books their characteristic smell. Converting lignin chemically in a controlled way yields building blocks for materials. The design and scale of this conversion process is the subject of research.

In addition to the lignin path to 4BS, two other ways are object of research, with hemicellulose respectively cellulose as a raw material. Hemicellulose is a component of the cell wall of plants, cellulose is also a material in plants, particularly in trees (that also contain lignin).

This research can lead to the replacement of fossil fuels, drop-in 4BS, or to entirely new applications, new 4BS. To this aim Chemelot InSciTe uses the thermo-chemical, catalytic, and biochemical expertise of its partners.

Chemelot InSciTe also offer the course "Working in a pilot plant".

Collaboration is crucial
During the official opening, there was a speech by Koenraad Debackere, Director of KU Leuven. At Leuven campus development started way before Chemelot.

Debackere explained that collaboration of a company with universities leads to increased sales of new products, while collaborating with suppliers and customers is boosting the sales of improved products.

Debackere presented his own version of the Triple Helix, which indicates what is required for good results: entrepreneurship, collaboration, and sound management of intellectual property. When companies work together they are often wary of the associated risks (especially the loss of intellectual property). Through the collaboration between companies and universities such risks can be reduced – and that is exactly what happens at Chemelot InSciTe.

Chemelot InSciTe started officially on September 28, 2015; for more information: www.chemelot-inscite.org.
*) More information about (the classification of) cleanrooms: https://en.wikipedia.org/wiki/Cleanroom
This blog post is a repost of my (Dutch) October 5, 2015 post.
Read my May 20, 2013 blog post about the reason why of my English reposts.

maandag 16 november 2015

7 Redenen om door te gaan na (meer dan) 100 blogposts

Soms komt het moment om terug te kijken en je af te vragen of het allemaal de moeite waard was. Dat moment is nu gekomen voor mijn blog, want ik heb een mijlpaal bereikt!


Wet van het ronde getal
Enkele jaren geleden stonden we tijdens de Elfmerentocht met een lekke band in het Friese dorp Balk. We hadden één omstander en die verklaarde dat hij bij de vijfentwintigste keer was gestopt met deelname aan deze toertocht. Ik vroeg hem: “Waarom bent u toen gestopt?
Ik vond het na vijfentwintig keer wel mooi geweest.
Ik probeerde zijn ‘wet van het ronde getal’ te buigen door tegen te werpen: “Maar als je het nou nog steeds leuk vind?
Tevergeefs, de Balkster vond het welletjes.

Honderd
Ik heb nu exact honderd (Nederlandse) blogposts geschreven – ook een mooi rond getal. Ik begon twee-en-een-half jaar met bloggen om ervaring op te doen met de sociale media. Die ervaringen kwamen van pas bij mijn werk als manager communicatie.

De techniek stond aanvankelijk voorop, maar bloggen gaat niet zonder inhoud. Gaandeweg heeft het schrijven zich ontwikkeld van een activiteit in functie van de techniek naar een doel op zich. En tegelijkertijd heeft de techniek zich in dienst van de inhoud gesteld.

Waarom mijn blog?
Het schrijven van het blog geeft me veel voldoening:
  1. Door het schrijven breng ik mijn gedachten op orde. Het schrijven dwingt me om een mening te vormen. Of ik weet me juist van een oordeel te onthouden, omdat zaken genuanceerder zijn dan ze in eerste instantie lijken.
       
  2. Het bloggen verbetert mijn schrijfvaardigheid. Het is een uitdrukkingsvorm waar ik me goed bij voel en ik heb er een leuke hobby aan.
        
  3. Ik kan je aan interessante personen voorstellen, zoals in “Ficus” van 25 november 2013 (met het bijzondere gedicht “De tuinman en de dood”).
        
  4. Ik kan je laten kennismaken met interessante plaatsen en ontwikkelingen. Dit heeft artikelen over Chemelot, Brightlands en Ierland opgeleverd.
        
  5. Bloggen is een aardige manier om komische situaties en invallen te delen, zoals “Bieten hier, bieten daar” van 22 juni 2015.
        
  6. Ook de kennismaking met nieuwe (communicatie) technologieën blijft een inspiratiebron; lees er “Virtueel drijfzand” van 10 februari 2014 maar eens op na.
    Soms hoor ik mensen zeggen: “Ik heb eigenlijk geen idee wat dat is, Twitter.” Hen wijs ik op “De krant is een meneer, Twitter is een krantenjongen” van 22 april 2013.
        
  7. En ik kan interessante boeken bij je introduceren, bijvoorbeeld “Niet kapot te krijgen” van 9 juni 2014.
De reacties van lezers waren altijd positief en daar ben ik blij om. 

Lezers, bedankt!  

Gemotiveerd om door te gaan
Anders dan voor die man in Balk geldt voor mij niet de wet van het ronde getal, want ik ben van plan om mijn blog te continueren. Ik heb een lijstje met onderwerpen waaruit ik nog lang kan putten en "I got a head full of ideas". En er komt regelmatig iets onverwachts voorbij, zoals het overlijden van een Belgische politicus op 9 oktober 2013 dat vrijwel onmiddellijk resulteerde in “Martens”.

En natuurlijk vormen de positieve reacties van lezers door middel van reposts, retweets en likes op de sociale media een stimulans. “Een schrijver eist geen geloof, maar is al tevreden wanneer men hem citeert,” schreef Peter Sloterdijk.

Uiteraard wens ik dat elk artikel door iedereen wordt gelezen, maar dat is niet realistisch. Niettemin hoop ik dat velen “Waar de klaproos bloeit” van 16 juni 2014 lezen vanwege de ‘nooit meer oorlog’-boodschap die helaas aan dovemansoren blijkt te zijn gericht (“Pray you'll never know / the hell where youth and laughter go”).

Vraag: over welk onderwerp zou ik ook eens een artikel moeten schrijven?

maandag 9 november 2015

Ruimte voor ontwikkeling

In Limburg is geen vierkante meter zonder bestemming, zoals economische bedrijvigheid, wonen, landbouw of natuur, meer te vinden. Uit het Provinciaal Omgevingsplan Limburg blijkt dat het gebruik van ruimte een eigen dynamiek kent. De ontwikkeling van Brightlands Chemelot Campus is een mooi voorbeeld.


Center Court op Brightlands Chemelot Campus in aanbouw
Foto Dols Fotografie

Kiezen voor Limburg
Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) beschrijft de ruimtelijke ordening, het milieubeheer, het waterbeheer en verkeer en vervoer (bereikbaarheid). Dit plan – en de nadere uitwerking ervan – moet leiden tot een voortreffelijk leef- en vestigingsklimaat. Burgers en bedrijven moeten kiezen voor Limburg: om naar toe te gaan en vooral om er te blijven.
Ik licht eruit wat over Brightlands Chemelot Campus (broedplaats van kennis) en het bedrijventerrein Chemelot is geschreven.

Zonering van Zuid-Limburg


Gebiedstypen in Limburg
Het POL2014 onderscheidt zeven gebiedstypen, elk met een eigen karakter en verschillende ontwikkelingsmogelijkheden.

Binnen het bebouwd gebied onderscheiden we de volgende zones:
1. Stedelijk centrum (Heerlen, Maastricht, Roermond, Sittard-Geleen, Venlo, Venray en Weert): zorgen door een mix aan functies voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg.
2. Bedrijventerrein: ingericht voor grote bedrijvigheid.
3. Overig bebouwd gebied: overige gebieden met een stedelijk en dorps karakter.

In het landelijk gebied – de contramal van bebouwd gebied – gaat het om de volgende zones:
4. Goudgroene natuurzone: natuur en natuurontwikkeling hebben het primaat vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis (zoals de Natura2000-gebieden).
5. Zilvergroene natuurzone: landbouwgebieden met grote kansen voor ontwikkeling van natuurwaarden; agrarisch natuurbeheer, gebieden met delfstoffenwinning en de Maasplassen.
6. Bronsgroene landschapszone: beekdalen en gebieden met steilere hellingen, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas.
7. Buitengebied: alle andere landelijke gebieden met een agrarisch karakter, met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.

Economie in Zuid-Limburg


Brightlands Chemelot Campus; kantoren
Voor  Zuid-Limburg staan de ontwikkeling van de Brightlands-campussen (Chemelot Campus en Maastricht Health Campus), de stedelijke centra, het woningaanbod, de verbindingen en het landschap (vooral het Nationaal Landschap Zuid-Limburg), kortom de economische structuurversterking centraal.

De dragende sectoren van de economie van Zuid-Limburg zijn Chemie & Materialen (Chemelot Campus), Life Sciences & Health (Maastricht Health Campus) en Smart Services. Op de campussen staan kennisoverdracht en -ontwikkeling en persoonlijke ontplooiing centraal staan. De kenniseconomie (in deze vorm) veroorzaakt een multiplier voor alle andere economische sectoren (afgeleide werkgelegenheid).

De campussen lijken eerder op een kantorenpark dan op een bedrijventerrein. Volgens de Provincie is op deze terreinen nog ruimte voor kantoren, oftewel – in het planologisch jargon – voor het doorontwikkelen en verbeteren van de verblijfskwaliteit. Het betreft hier gebouwen met een specifieke bestemming, zoals laboratoria, onderwijsfaciliteiten, proef- en testproductieruimten en daarbij behorende voorzieningen.
Zo moeten deze locaties verder worden ontwikkeld tot uitnodigende en inspirerende werkomgevingen die een katalysator vormen voor ontmoeting, netwerken en kennisuitwisseling. De bouw van Center Court, het centrale gebouw op Chemelot Campus (gereed medio 2016), vormt daarvan een mooi voorbeeld (zie foto).

Omwille van de bereikbaarheid voor campuswerkers moeten de campussen goed worden aangesloten op het openbaar vervoer.
Chemelot Campus biedt bovendien kansen voor natuurontwikkeling.

Afwegingen
De ruimte in ons dichtbevolkte land is beperkt en dat leidt tot lastige afwegingen over het (toekomstig) gebruik ervan. Economische ontwikkeling (en daarmee gepaard gaande werkgelegenheid) stuit op het behoud van de landelijke omgeving (en de daar aanwezige natuurwaarden). Rond Chemelot vormt het buitengebied Graetheide, noordelijk van Chemelot (op de kaart hierboven gemarkeerd als ‘heroverwegingsgebied bedrijventerrein’), een voorbeeld van zo’n dilemma.
Graetheide was altijd bestemd als bedrijventerrein, een vooruitzicht waarvan bepaalde groepen omwonenden uitgesproken tegenstanders zijn. Volgens de Provincie blijft die mogelijkheid bestaan, zij het in een aanzienlijk kleinere omvang dan de ooit beoogde 200 hectare. De Provincie gaat ervan uit dat, als er in de toekomst een eventuele uitbreiding van Chemelot Campus aan de orde zou zijn, deze vooral plaatsvindt in de directe nabijheid van de huidige locatie, op het Chemelot Industrial Park of binnen de bestaande bedrijventerreinenvoorraad in de regio.

Chemelot Industrial Park; logistiek
Het logistieke knooppunt Zuid-Limburg (trimodaal, d.w.z. voor goederenvervoer over weg, spoor en water) is gesitueerd in Sittard-Geleen en omvat de havens en railterminals in Born, Stein en op het Chemelot Industrial Park.

Interventies
De Provincie staan verschillende (wettelijke) instrumenten ter beschikking om het omgevingsplan, inclusief de ontwikkeling van de campussen en de ruimtevraag voor logistiek en chemie, te realiseren. Zo heeft de Provincie een regulerende rol als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunningverlening voor grotere bedrijven.

Wonen en leefbaarheid in Zuid-Limburg


Ook wijst de Provincie bedrijventerreinen met geluidcontouren aan (het betreft hier Chemelot, NedCar, NedCar Yard en Industrial Park Swentibold). De Provincie anticipeert daarbij op nieuwe geluidwetgeving die het Rijk ontwikkelt onder de naam SWUNG2 (Samen Werken in de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid) voor wegen en industrielawaai. Verder ontwikkelt het Rijk een nieuwe Omgevingswet (verwacht in 2018) en nieuwe regelgeving voor externe veiligheid.

Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 is online opvraagbaar.
URL: http://www.limburg.nl/Beleid/Provinciaal_Omgevingsplan_Limburg  
Digitale POL2014: http://www.polviewer.nl/NL.IMRO.9931.SVPOL2014-VG02  

zondag 1 november 2015

Een vluchtweg als wandelroute

Veel plaatsen zijn ooit het decor geweest van historische gebeurtenissen. Wie thuis is in de vaderlandse geschiedenis kent bijvoorbeeld Heiligerlee en Mook. Maar wie verwacht nou dat een onherbergzame streek ooit als historisch decor heeft gediend?


Onze wandeling over de West Highland Way in Schotland voerde door het desolate dal Glen Nevis, niet ver van het eindpunt Fort William; lees mijn blogpost “Te voet door de Hooglanden” van 17 augustus 2015. Ik was verrast om daar als een van de weinige tekenen van menselijke activiteit een gedenkplaat aan te treffen, die herinnerde aan de Slag bij Inverlochy in 1645.

Op de gedenkplaat lezen we het volgende.

De achtervolging van de Campbells
Slag bij Inverlochy
“Ik ben Diarmid Campbell uit Inverary, ik ben gewond geraakt door de zwaarden van de MacDonalds en nu helpen mijn verwanten mij om Lochaber te ontvluchten. Heden, 2 februari 1645, bij zonsopgang, vielen Montrose met zijn Hooglanders en Alasdair MacColla met zijn Ieren ons aan en vernietigden ons leger. Onze arme aanvoerder Auchinbreck ligt dood op het slagveld. De rivier Lochy is rood gekleurd door het bloed van de beste mannen van Argyll. Wij die zijn overgebleven gaan terug naar ons vaderland door de Lairigmor (de grote pas). Bid tot God dat die duivelse MacDonalds ons niet verder achtervolgen, we zijn als opgejaagd wild. Deze stervende Hooglander wil naar huis, terug naar het land van zijn voorouders. Als de Almachtige mij dat toestaat.”

Dit citaat brengt ons in één keer naar een van de bloedigste perioden in de Britse geschiedenis. Een godsdienstsoorlog tussen royalisten – aanhangers van (de anglicaanse) Koning Karel I – en streng-orthodoxe presbyterianen (de zgn. Convenanters): de Schotse Burgeroorlog (1644-1651). Oorlogen in Engeland, Schotland en Ierland: de Oorlogen van de Drie Koninkrijken (1638-1651). En een vete tussen rivaliserende Schotse clans: de (katholieke) MacDonalds en de (presbyteriaanse) Campbells. Bovendien loopt er een scheidslijn langs de taalgrens tussen het Gaelic (Schots) en het Engels.

Een aanleiding tot de strijd was dat Karel I een gebedenboek aan de presbyterianen opdrong. Daarbij speelde het streven naar een onafhankelijk Schotland een rol, terwijl de koning nota bene een afstammeling was van het Schotse koningshuis Stuart (clan Stewart).

De Slag bij Inverlochy was een veldslag tussen royalisten (vooral van de Gaelicsprekende MacDonald clan), geholpen door Ierse troepen, aan de ene en Convenanters (vooral van de Engelssprekende Campbell clan) aan de andere kant.
In een verrassingsaanval wonnen de royalisten ondanks dat ze met 1.500 man vochten tegen 3.000 Convenanters, van wie er 1.500 gedood werden (de royalisten verloren ‘slechts’ 250 man).

De gedenkplaat die wij op onze wandeling tegenkwamen staat op de vluchtroute van de Campbells. Het 13e-eeuws kasteel Inverlochy is gelegen aan de andere kant van de Ben Nevis, de hoogste berg van Groot-Brittannië (1344 m).

De royalisten werden geleid door de Markies van Montrose en Alasdair MacColla; Duncan Campbell van Auchinbreck voerde namens de Markies van Argyll de Convenanters aan.
En daarmee komen enkele interessante hoofdrolspelers in beeld.

Markies van Montrose
James Graham, de 1e Markies van Montrose van de Graham clan – edelman, dichter en militair – sloot zich aanvankelijk aan bij de presbyterianen, maar later koos hij de zijde van Karel I, omdat hij tegen een wereldlijke regering door geestelijken (lees: presbyterianen) was. Door dit standpunt belandde hij een tijdje in de gevangenis.

In 1644 vormde Montrose in opdracht van Karel I een kleine legermacht, die snel door de ruige Hooglanden kon marcheren. Het leger doorstond zware omstandigheden en voedselgebrek; het voerde een guerilla-oorlog, die in de Schotse wildernis bijzonder effectief was. Bovendien waren de presbyteriaanse tegenstanders van de markies slecht geoefend, waardoor hij spectaculaire overwinningen kon behalen, zoals de Slag bij Inverlochy.
Montrose kreeg in 1645 tijdelijk controle over bijna geheel Schotland.

De royalisten slaagden er echter niet in om de geboekte terreinwinst te behouden. Doordat Montrose toestond dat enkele steden door zijn leger werden geplunderd, verloor hij veel sympathie. Vervolgens viel zijn leger uiteen en zo verloor hij op 13 september 1645 de Slag bij Philiphaugh.

Montrose vluchtte naar Noorwegen en zijn leger werd uit vergelding door de Convenanters afgeslacht.

Karel I
Karel I was sinds 1625 koning van drie koninkrijken, maar in 1646 was hij – na enkele verloren veldslagen – gedwongen zich over te geven aan de Convenanters, die hem een jaar later in ruil voor £ 100.000 overdroegen aan het Engelse parlement, dat gecontroleerd werd door Oliver Cromwell.

Vervolgens deden de presbyterianen moeite om Karel I weer op de troon te krijgen, omdat de koning beter uitzicht bood op een onafhankelijk Schotland dan Cromwell. Die poging strandde tijdens de Slag bij Preston op 16-19 augustus 1648, waarbij Cromwell een eclatante overwinning behaalde.

Karel I werd op 30 januari 1649 in Londen onthoofd, hij werd 48 jaar. Daarna regeerde Cromwell tot zijn dood in 1658 met harde hand over Engeland, Schotland en Ierland.

In maart 1650 keerde Montrose terug naar Schotland om het – door wraak gedreven – op te nemen voor Karel II, de zoon van de geëxecuteerde koning. Hij kreeg echter weinig steun en verloor op 27 april de Slag bij Carbisdale. Hij werd gevangen genomen en op 21 mei in Edinburgh opgehangen, 37 jaar oud.

Markies van Argyll
Achibald Campbell, de 1e Markies van Argyll was feitelijk de leider van de Schotse regering en een belangrijke tegenstander van Montrose.

Onder leiding van Argyll gingen de presbyterianen Karel II steunen, nog steeds hopend op een onafhankelijk Schotland en uit afkeer voor de executie van Karel I. Karel II landde op 23 juni 1650 in Schotland, komend uit Den Haag. De Schotten werden op 3 september in de Slag bij Dunbar echter verpletterend verslagen door het leger van Cromwell. Karel II vluchtte in 1651 naar Frankrijk.

Argyll verloor zijn machtspositie en ging bankroet.

Bloedige episode
Op de slagvelden van de Oorlogen van de Drie Koninkrijken stierven 28.000 man, maar meer nog stierven er aan ziekte, terwijl nog eens zo’n 45.000 burgers slachtoffer werden van ziekte (pest) en oorlogshandelingen.

Pas toen in 1660 aan het regime van Cromwell en zijn zoon een eind kwam, besteeg Karel II de troon. Hij werd in 1685 opgevolgd door zijn zoon Jacobus II; lees mijn blogpost “Hoe je schoonpapa terzijde schuift” van 13 oktober 2014 om te weten hoe het met hem afliep.

De Markies van Argyll werd door Karel II van hoogverraad beschuldigd en op 27 mei 1661 in Edinburgh op 54-jarige leeftijd onthoofd op een ‘prototype’ van de guillotine, de ‘Maiden’.

Samenvatting
Met de infographic hieronder vat ik deze geschiedenis samen. 


Voor meer informatie over deze periode in de Schotse geschiedenis verwijs ik naar “A History of Scotland” door Neil Oliver (2009).

maandag 26 oktober 2015

Inleiding tot de atletische sferologie

Naast de filosofische vraag “Waar bevindt de mens zich?”, die ik eerder beantwoordde aan de hand van het gedachtengoed van Sloterdijk, plaats ik nu de vraag: “Hoe blijft de mens in beweging?” Lees mijn persoonlijk antwoord.

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk beschrijft in zijn “Sferen”-trilogie de wereld als plaats WAAR de mens leeft aan de hand van sferen op drie niveaus: de micro-, de macro- en de plurale sferologie (zie mijn blogposts “Waar de zeepbel uiteenspat” van 13 april 2015, “Wat je kunt leren van een bol” van 1 juni 2015 resp. “Het leven is als een schuimparty” van 14 september 2015).

Ik voeg daar een vierde niveau aan toe: de sportieve, of beter gezegd atletische sferologie.

Atletische sferologie
Het valt niet te ontkennen dat sport in de moderne maatschappij een belangrijke rol speelt. Daarbij eisen balsporten de hoofdrol op, hoe interessant de beoefening van andere sporttypen of de verslaggeving daarover ook is. Vrijwel iedereen staat dus in een bepaalde verhouding tot balsporten en hier beschrijf ik ook mijn verhouding daartoe.

De filosofie van de atletische sferologie beschrijft de mens in beweging. Het gaat dan over de oefenende mens, over de mens in competitie, die triomfeert of verliest; het gaat over de gezonde en de geblesseerde mens, over sporters en trainers, over deelnemers en toeschouwers, over amateurs en professionals.
De atletische sferologie is multidisciplinair, want het raakt vele wetenschappelijke gebieden: de biologie, met name fysiologie en diëtetiek, de psychologie, de sociologie, de economie, de ruimtelijke ordening en de cultuur, met name media en architectuur.

De bewegende mens wil zijn conditie verbeteren door de juiste training en voeding. Hij moet bestand zijn tegen psychologische druk van tegenstrevers en publiek. De bewegende mens beoefent zijn sport dikwijls in teamverband en zonder geld van mecenassen (in de sportwereld doorgaans ‘sponsoren’ genoemd) is het, met name voor topsporters, niet vol te houden. Er moeten sportvoorzieningen worden aangelegd, zoals gymnastieklokalen, sporthallen en stadions – de amfitheaters van deze tijd. Tenslotte krijgt sport veel aandacht in de media, inclusief radio en tv. Voor de camera worden winnaars met lauwerkransen tot sportidolen gekroond.

Nationaal Stadion (Vogelnest) te Peking voor Olympische Spelen 2008
Artist impression Herzog & de Meuron

De bal
Sloterdijk gebruikt bellen, bollen (globes) en schuim als respectievelijke metaforen voor zijn sferologie, om aan te duiden WAAR de mens leeft. Voor de atletische sferologie is een soortgelijke metafoor beschikbaar: de bal. Dit is immers ook een driedimensionale sferische vorm, net als bellen, globes en schuim.
De bal als metafoor voor de bewegende mens.

Weliswaar wordt niet bij alle sporten een bal wordt gebruikt, maar als metafoor duidt de bal aan WAARMEE, met welk attribuut een sport beoefend wordt. Andere accessoires zijn bokshandschoenen, dartpijlen, sportschoenen, schaatsen, een zeilboot, een zwembroek, een schaakbord, een vishengel. Geen sport zonder outfit.
En vrijwel geen sport zonder arena: het grasveld, de boksring, de baan, het parcours, het stadion, de stek.

Mijn keuze voor de bal als metafoor bij uitstek voor de atletische sferologie wordt gerechtvaardigd door het enorme aantal beoefenaars van balsporten. De lijst verschillende ballen is lang: tafeltennisbal, tennisbal, hockeybal, biljartbal, jeu-de-boulesbal, honkbal, klootschietbal, kegelbal, volleybal, voetbal, basketbal, bowlingbal, enz. En dan zijn er nog de vervormde ballen, zoals de rugbybal, de badmintonshuttle en de werpdiscus.

Kwestie van smaak
Het verbaast je misschien dat ik via de opsommingen hierboven ook bezigheden opneem die naar jouw oordeel wellicht simpelweg spelletjes of hobby’s zijn. Ik zou de atletische sferologie graag breed willen definiëren, dus inclusief alle bezigheden die lichamelijk en/of mentaal een extra inspanning vereisen. Dus, als jij je kantoorwerk of je kookclub erbij wilt onderbrengen, omdat dit lichamelijk of mentaal iets extra’s van je vergt – vooruit dan maar (en definieer er je eigen metafoor bij).

Iets anders is welke sport je daadwerkelijk beoefent. Naast smaak en levenshouding is dit ook een kwestie van aanleg, talent, mentoren, geld, omgeving en cultuur. Het aantal Nederlandse bobsleeërs is ten opzichte van Oostenrijkers beperkt, omdat de Nederlandse omgeving niet meewerkt – logisch.

Hurling

En vooral in Ierland wordt vanouds hurling gespeeld, het vogelbekdier onder de balsporten (een bijzondere mengvorm van voetbal, rugby en hockey) – cultureel bepaald.

Laat ik mezelf als voorbeeld nemen: ik heb geen aanleg voor balsporten, ik verkeer in een gebrouilleerde verhouding tot alle miksporten. De laatste keer dat ik meedeed aan een voetbalwedstrijd was ik vlakbij de cornervlag opgesteld. Hier kon ik de minste schade aanrichten. Ik beloofde mezelf dat ik toen voor 't laatst een voetbalveld had betreden.
Aan die belofte heb ik me moeiteloos al ruim twintig jaar gehouden.

Verder herinner ik me de gymnastiekleraar uit mijn middelbareschooltijd, die uitriep, nadat ik de softbal redelijk goed had weggeslagen: “Klaas, raak! Rennen!
Ik haalde er bijna de schoolkrant mee, want meestal sloeg ik naast.

Ik speelde een tijdlang mee in een recreatief volleybalteam, waarbij gezelligheid hoog in het vaandel stond. Tijdens een jaarlijks volleybaltoernooi ontmoetten we andere recreatieve teams. Het aantal deelnemende teams was steevast gelijk aan onze ranking in het eindklassement.
Ik was dus ook geen winnaar in deze balsport. Om van tennissen maar te zwijgen.

Volledigheidshalve moet ik er in eerlijkheid aan toevoegen dat deze resultaten overeenstemmen met mijn ambities op het sportieve vlak: voor mij geen balsporten, vanaf de kleinste tot de grootste ballen, van golfballen tot skippyballen.

Bal in 2D
Toch wil ik mijn sportieve bezigheden – want die heb ik wel degelijk – graag onverkort bij de atletische sferologie onderbrengen. Dit vergt een kleine aanpassing van de metafoor waaraan ik hierboven de hoofdrol toebedeelde. Met dit driedimensionale object heb ik dus weinig op, maar ik heb wél een goede band met de tweedimensionale versie ervan, te weten de cirkel, het wiel, meer specifiek het fietswiel.

En zo kunnen gelukkig ook de sportieve prestaties van mij en mijn fietsmaten in het kader van de atletische sferologie worden beschreven.
En zo kan ik dus koers zetten naar volgende blogposts.

Lees ondertussen ook mijn post “Je moet anders gaan leven!” van 3 december 2013, want ook in dit verband is het gedachtengoed van Sloterdijk zeer van toepassing.

maandag 19 oktober 2015

Zijn wij niet allen patiënten?

De moderne mens brengt een groot deel van zijn tijd onder dak door, in kantoren, fabrieken en thuis. En dat kan niet ongestraft. Hierbij mijn ervaringen.


In de post “Van visvijver naar Toverberg” van 24 maart 2014 vertelde ik hoe ik vanwege een botbreuk in het ziekenhuis belandde. Terwijl ik nog herstellende was, ontving ik van het ziekenhuis een uitnodiging voor een botonderzoek.
Zo’n onderzoek is standaardprocedure voor personen van 50 jaar en ouder die een botbreuk hebben opgelopen.

Eerlijk gezegd had ik weinig trek in dat onderzoek. Het zou mij op voorhand tot patiënt bestempelen, terwijl ik me kerngezond voelde. Niet voor niets gebruiken ziekenhuizen het modernistische eufemisme ‘cliënt’. Toch ben ik gegaan.

Botonderzoek
Het zgn. DEXA-onderzoek (Dual Energy X-ray Absorbtiometry) behelst dat je lichaam bij je heupen onder een röntgenscanner wordt opgemeten. Dit wordt gevolgd door bloedafname.

Als je eenmaal onderwerp van medisch onderzoek bent, wil je ook de uitslag weten. Welnu, het bleek dat ik een milde vorm van botontkalking (osteoporose) had: osteopenie, een gevolg van vitamine D-insufficiëntie.
En wat kan ik daaraan doen, dokter,” was mijn vraag. Het antwoord luidde: vitamine D slikken, extra zuivel voor de calciumopname en over drie jaar het onderzoek nog eens herhalen.

Ik moest dus tabletten gaan slikken en was zo inderdaad patiënt geworden.

Maar zijn wij niet allen patiënten als het om vitamine D gaat?

Vitamine D
In de post “Eet je smakelijk of liever gezond?” van 28 september 2015 over “De voedselzandloper“ van Kris Verburgh noteerde ik het belang van ‘intelligente’ voedingssupplementen, zoals vitamine D.

De ontdekking van die voedingsstof hangt samen met de situatie in het laatnegentiende-eeuwse Engeland. Kinderen groeiden daar op in sterk vervuilde industriesteden en zagen amper daglicht. Het gevolg was een gebrekkige ontwikkeling van het skelet, wat zich uitte in O-benen, een symptoom van de Engelse ziekte (rachitis). Deze botaandoening ontstaat door een tekort aan vitamine D en calcium.

Het lichaam maakt onder invloed van zonlicht vitamine D aan uit een provitamine, dat van nature in de huid aanwezig is. Sinds 1930 wordt de vitamine ook kunstmatig geproduceerd in een fotochemische fabriek.

Volgens de overlevering werd het procedé bij toeval ontdekt door de bekende industrieel Anton Philips, die thuis in een zolderkamer bezig was met UV-lampen. Hij ging zo op in zijn werk, dat hij zijn vrouw vroeg de avondmaaltijd naar boven te brengen: mosselen. Hij bemerkte dat die mosselen onder de lamp verkleurden, door de omzetting van cholesterol in vitamine D.

Dit omzettingsverschijnsel werd door twee onderzoekers van het Natuurkundig Laboratorium van Philips in Eindhoven, Reerink en Van Wijk verder ontwikkeld. Dat leidde tot een nieuw bedrijf: Philips-Duphar te Weesp (sinds 1959 onder die naam). De productie van vitamine D begon daar in een voormalig magazijn van chocoladefabrikant Van Houten. De vitamine werd aan chocoladepastilles toegevoegd ter vervanging van levertraan. De cholesterol voor de productie van de vitamine haalt het bedrijf uit wolvet, dat voorkomt in de wol van schapen.
Philips-Duphar werd in 1990 verkocht aan het Belgische bedrijf Solvay.

Dit is een mooi voorbeeld van serendipiteit, want Reerink en Van Wijk waren eigenlijk bezig met het ontwikkelen van de hoogtezon om rachitis met UV-licht te genezen.

Het geheim van een opgewekt humeur
De meeste geleerden zijn het erover eens dat het innemen van extra vitamine D nuttig is, in tegenstelling tot vele andere stoffen, zoals vitamine C, die we via een doorsnee-Westers voedingspatroon voldoende binnen krijgen.

Vitamine D is nodig voor sterke botten en voor voldoende spierfunctie. Het ondersteunt de weerstand én het draagt bij aan een goed humeur – vandaar dat ik de laatste tijd zo opgewekt rondloop en vandaar ook het tussenkopje boven deze paragraaf, naar de roman van H.C. ten Berge (1986).

Behalve vitamine D is meer nodig voor sterke botten, zoals voldoende beweging, training met gewichten, calcium, magnesium, een gezonde lifestyle, weinig koolzuur (via frisdrank), geen stress en vitamine K2.
Over deze factoren zijn de geleerden minder eenduidig dan over vitamine D. Zo blijkt extra calcium volgens recent onderzoek weinig zoden aan de dijk te zetten.*)

Wel is vitamine K2 belangrijk vanwege het activeren van enzymen die de calciumhuishouding reguleren en verkalking van zachte weefsels en ontkalking van de botten tegengaan. Vitamine D versterkt de effecten van vitamine K, dat we via zuivel, vooral kaas, binnenkrijgen.

Zoals in de inleiding gesteld, de moderne mens ziet te weinig zonlicht, hij zit teveel binnen. En zo ontwikkelde vitamine D-gebrek zich van een armoede- tot een welvaartsfenomeen.

Het tweede onderzoek
Drie jaar lang slikte ik braaf elke dag vitamine D, een capsule van 800 i.e. (dat is tweemaal de aanbevolen hoeveelheid) en at ik me het schompes aan kaas. Ik was dan ook zeer benieuwd naar de uitkomsten van het tweede onderzoek, dat recentelijk plaatsvond.

Maar voordat ik de resultaten opsom eerst een commercial break.

Zelf je vitamine D meten
Geen enkele 50-plusser – of iemand die veel binnen zit – zal wachten tot hij een been breekt om een botonderzoek te ondergaan. Maar wél je kun je zelf je vitamine D meten zonder bloedafname in een ziekenhuis.

Op Brightlands Chemelot Campus is het jonge bedrijf Dried Blood Spot Laboratory (DBSL) gevestigd, dat een eenvoudige methode van bloedonderzoek heeft ontwikkeld. Daarmee kunnen gehalten aan medicijnen, vitaminen en andere stoffen in het bloed worden vastgesteld. De bloedmonsters worden door middel van een vingerprik afgenomen, wat iedereen kan doen; DBSL verricht de analyse.

Via het bedrijf Vital Orange brengt DBSL een test voor consumenten op de markt, waarmee het vitamine D-gehalte kan worden bepaald. Ik mocht deze test ondergaan.

Ga voor meer informatie naar www.dbsl.nl.

De resultaten
De onderzoeksresultaten hebben betrekking op de botdichtheid op twee meetpunten en het vitamine D-gehalte in het bloed. De interpretatie vergt enig statistisch inzicht.

Botdichtheid
De gemeten waarden worden vergeleken met 30-jarigen (zij hebben de hoogste botdichtheid) en leeftijdgenoten.

Vergeleken met 30-jarigen zijn mijn waarden T = -1,8 voor meetpunt 1 en T = -1,5 voor meetpunt 2. D.w.z. dat mijn botdichtheid 1,8x resp. 1,5x de standaarddeviatie naar beneden afwijkt van het gemiddelde, wat erop neerkomt dat (uitgaand van een normale verdeling) 96% resp. 93% van de 30-jarigen een betere score heeft dan ik. Dat is niet best, maar iets beter dan drie jaar geleden, want toen waren de scores T = -2,0 en T = -1,6, wat erop neerkomt dat 97% resp. 94% van de 30-jarigen een betere score had.

De situatie is dus stabiel gebleven. Bij een T-score lager dan -2,5 wordt de diagnose botontkalking (osteoporose) gesteld.

De metingen worden ook vergelijken met leeftijdgenoten. Dan zijn de resultaten Z = -1,4 voor meetpunt 1 en Z = -0,6 voor meetpunt 2. D.w.z. dat mijn botdichtheid 1,4x resp. 0,6x de standaarddeviatie naar beneden afwijkt van het gemiddelde, wat erop neerkomt dat 92% resp. 73% van mijn leeftijdgenoten een betere score heeft dan ik. Dat is nog steeds niet geweldig, maar wederom beter dan drie jaar geleden, want toen waren de scores Z = -1,6 en Z = -0,8, wat erop neerkomt dat 94% resp. 79% van mijn toenmalige leeftijdsgenoten een betere score had.

In vergelijking met mijn leeftijdsgenoten heb ik dus een kleine verbetering bereikt. Diagnostisch heeft de Z-score vooral betekenis voor 70-plussers.

Vitamine D-gehalte
Het vitamine D-gehalte in mijn bloed bedraagt 72 nmol/liter, een forse verbetering ten opzichte van drie jaar geleden (36 nmol/l), maar lager dan de DBSL-test van enkele maanden tevoren (91 nmol/l).
De beoordeling is daarmee verbeterd van “onvoldoende” (30-50) naar “voldoende” (50-75), ofwel naar “goed” (“> 75”) op basis van de DSBL-bepaling.

Conclusie van de dokter
Er is geen verdere achteruitgang in botdichtheid.

Mijn conclusie
Vitamine D slikken is en blijft voor mij noodzakelijk en ik neem nog een blokje kaas terwijl ik dit schrijf (dit past ook in de Voedselzandloper).

Naschrift
De arts in het ziekenhuis vertelde dat vitamine D sinds kort via de zorgverzekering wordt vergoed. Zij schreef dus een apothekersrecept uit voor colecalciferol (vitamine D3). Voorlopig haal ik mijn vitamine D op eigen kosten bij de drogist (in Duitsland), want via de apotheek wordt het weliswaar vergoed, maar daarvoor wordt eerst mijn eigen risico aangesproken.

*) NRC Handelsblad, 30 september 2015.

maandag 12 oktober 2015

Walking through the Highlands

The best way to explore a region is undoubtedly on foot. This also applies to the Scottish Highlands, one of the most remote areas in northwestern Europe. We walked the West Highland Way from Inverarnan.


The West Highland Way, a walking route of 152 kilometers from Milngavie to Fort William, is the best way to get acquainted with the rugged Scottish Highlands. Milngavie (pronounced mill-guy) is located 10 kilometers north of Glasgow and Fort William is situated on Loch Linnhe.

The trail leads partly on ancient roads. Military roads were built in the 17th-18th century by the British to keep rebellious Scots under control. Here you walk about a relatively easy cobbled path. This also applies to the paths that were built in the same period to drive cattle from the Highlands to the Lowlands of Scotland.
There are also narrow mountain paths that are much harder to walk, because there you need to climb or descend.

From the path you can several Munros. Munros are the 284 peaks in Scotland over 3,000 feet high, according to the list that Sir Hugh Munro (1856-1919) published in 1891. The best known Munro is the Ben Nevis near Fort William, with 1344 m the highest mountain in Great Britain.

Drovers Inn Hotel

Haunted house
We started our hike in Inverarnan. This is no more than a hamlet, but it has one point of interest: the Drovers Inn Hotel, since 1705 a stopping place for travelers and cattlemen. It is known as a haunted house and the hall full of stuffed animals, including a brown bear, helps to confirm that picture. Nevertheless – or precisely for that reason – the building is still used as a hotel.

Glen Falloch

The section between Inverarnan and Crianlarich goes through the Glen Falloch. There is no village, only a few houses; you will find sheep, meadows and barren mountainside. The Falloch River flows through the valley along the main road, a railroad, a power line and the West Highland Way.

The center of the world
Crianlarich has only 185 inhabitants, but proudly calls itself "the gateway to the Highlands". Here the main roads from Glasgow and Edinburgh meet, and the railway north splits here in two branches. Due to this central location, there are reportedly more signs in Britain pointing to Crianlarich than to any other place in Britain, London included.

St. Fillan Priory

In Straith Fillan, between Crianlarich and Tyndrum, lies the ruins of St Fillan's Priory, named after St. Fillan, who came from Ireland in 717 to convert the Scots and Picts to Christianity. The National Museum of Scotland in Edinburgh preserves a relic of the saint, the bronze Bernane Bell. Not far off, the river widens into a kind of pond, the Holy Pole, that would cure insanity.

In 1740, an ore vein was discovered near Tyndrum. The traces of the lead industry are still clearly visible, despite the fact that already around 1850 the activity was stopped: at the place where the lead ore was processed, no single plant grows. The ore was transported to Inverarnan and melted there into pure lead, which was transported to Glasgow.
There are (controversial) plans to begin gold mining near Tyndrum.

Tyndrum is the smallest place in the UK (167 inhabitants) with two railway stations, one for the train to Oban and one for Fort William. This is explained by the geographic location: by dividing the railway from Glasgow already in Crianlarich, 16 km south, steep slopes are avoided.

Highland cow

Besides sheep you find Highland cows along (and on) the West Highland Way.

Bridge of Orchy

Bridge of Orchy is not much more than a hotel. The bridge over the Orchy was built here around 1750 by British Government troops.

Rannoch Moor

Through the moorland
The most spectacular part of the West Highland Way runs through Rannoch Moor, a heathland of 130 km2, that provides no shelter for walkers. The sprawling landscape looks like the Ice Age lasted until last year, instead of thousands of years ago. Because the trail runs along the flanks of the Black Mount Hills, you have a wide view over this empty land, in the distance fringed by mountains.

Stepping stones across a mountain stream

Crossing the pass
From Kingshouse to Kinlochleven is 29 km by car, but the walk is only 15 km. The shortcut is made via the largest climb of the West Highland Way, the Devil's Staircase (550 m). From this pass the trail descends to sea level, an attack on weak knees.

Desolate valley

In Kinlochleven, located on a very narrow fjord, the final section of the West Highland Way starts. After a climb from sea level, an old military road slowly descends through a desolate valley that opens near the Ben Nevis. Along the way there are two ruins of farms, no tree in sight, an empty country.

West Highland Line
For the return journey to Glasgow, the West Highland Line is a good option. One of the stops is Corrour. This is the highest (410 m) and most remote railway station in Great Britain. The train stops at a few buildings in the middle of the vast, barren Rannoch Moor. There are no villages in the area and there are no roads leading to Corrour. The railway was built here in the late 19th century on a layer of fagots and therefore the maximum speed is only 50 kmh.

West Highland Way
Many people walk the West Highland Way with full luggage, but the luggage transport has become here a real service, which we gratefully used. Where necessary, we also arranged transportation between the start/end point of the daily walk and our accommodation. Very decadent compared to the wild camping of brave (or rather: reckless) backpackers.

Who isn’t tired walking after the West Highland Way, can follow the Great Glen Way from Inverness to Fort William.
 
Question: who has walked the West Highland Way and what were your experiences?

Watch the video my daughter made about our journey in Scotland: https://vimeo.com/135977398.
A useful hiking guide is “
West Highland Way: Milngavie to Fort William” (British Walking Guide), 5th edition by Charlie Loram, publisher Trailblazer.
The map “
West Highland Way XT40” (scale 1 : 40.000) of Harvey Map Services is also recommended.
Hillwalk Tours organized our travel arrangements: www.hillwalktours.com. Please note that the number of accommodations, especially between Tyndrum and Fort William, is very limited.

This blog post is a repost of my (Dutch) August 17, 2015 post.
Read my May 20, 2013 blog post about the reason why of my English reposts.

maandag 5 oktober 2015

Waarom iedereen beter wordt van Chemelot InSciTe

Brightlands Chemelot Campus is een onderzoeksinstituut rijker: Chemelot InSciTe. Door versnelde innovatie willen de onderzoekers bijdragen aan oplossingen voor onze samenleving.

Miniplant-faciliteit van Chemelot InSciTe

Het Chemelot Institute for Science and Technology (InSciTe) is een publiek-private samenwerking tussen DSM, Technische Universiteit Eindhoven, Universiteit Maastricht/Maastricht Universitair Medisch Centrum+ en de Provincie Limburg. Daarmee is sprake van een Triple Helix-samenwerking tussen bedrijfsleven, onderwijs en overheid.
Deze organisaties willen waar mogelijk andere academische en industriële partijen bij hun activiteiten betrekken, ook het midden- en kleinbedrijf.

Open innovatie ecosysteem
De activiteiten van Chemelot InSciTe hebben betrekking op de ontwikkeling en toepassing van biomedische materialen en de duurzame productie van biobased materialen. Daartoe biedt het instituut een open innovatie infrastructuur met gedeelde faciliteiten, die de afzonderlijke partijen zich niet zelf kunnen permitteren. Er is voldoende gelegenheid om de onderzoeksresultaten verder te ontwikkelen tot business.
Voor het onderzoek en de daarvoor noodzakelijke faciliteiten heeft Chemelot InSciTe maar liefst 60 miljoen euro beschikbaar. Daarbij komt nog 30 miljoen euro die Chemelot InSciTe denkt te verwerven via partnerships, studiebeurzen en subsidies.
De Provincie Limburg investeert via Brightlands Chemelot Campus.

De uitdagingen waar we voor staan
Chemelot InSciTe richt zich vooral op twee uitdagingen waarvoor de hedendaagse samenleving zich geplaatst ziet. Ten eerste hoe we erin slagen om tegelijkertijd de gezondheid van een ouder wordende bevolking én ons zorgsysteem in stand te houden. Dit is het domein van de biomedische ‘poot’ van Chemelot InSciTe.
Ten tweede hoe we erin slagen om grondstoffen die van cruciaal belang zijn voor onze welvaart en welzijn te produceren zonder natuurlijke bronnen uit te putten en zonder het milieu aan te tasten. Dit is het aandachtsgebied van de biobased-afdeling van Chemelot InSciTe.

Chemelot InSciTe richt zich daarbij op de gezamenlijke ontwikkeling van een idee tot een product dat op de markt wordt gebracht. Daartoe combineert het instituut deskundigheid, experimenten, ondernemerschap en onderwijs. Dit komt onder meer naar voren via onderzoeksprojecten, laboratoria en proeffabrieken, startende bedrijven en proefschriften. Daarbij is open innovatie het toverwoord.

BIOMEDICAL: materialen slimmer maken
Door materialen slimmer te maken is betaalbare gezondheidszorg van goede kwaliteit mogelijk. Chemelot InSciTe biedt oplossingen op basis van biomedische materialen, die veilig in het menselijk lichaam kunnen worden toegepast. Daarbij moet je denken aan verschillende medicaties en de vervanging, reparatie en zelfs de hergroei van weefsel. Genezing en preventie komen zo in de plaats van dure chronische zorg.

Biomedische miniplant
Chemelot InSciTe beschikt op Brightlands Chemelot Campus over een splinternieuwe miniplant van 600 m2, waar elke onderzoeker op het gebied van biomedische materialen prima uit de voeten kan.
Er zijn drie secties: een open laboratorium (niveau 1), een gecontroleerd onderzoekslaboratorium (niveau 2) en (gesloten) GMP-gecertificeerde klasse B (ISO 5) cleanrooms voor klinische testen (niveau 3).*)
Naarmate het niveau van de sectie stijgt, daalt het aantal onderzoeksprojecten (door uitval van onbruikbare ideeën), het aantal betrokken onderzoekers en de oppervlakte die nodig is, terwijl de complexiteit en de cumulatieve kosten toenemen.

In de faciliteit staat apparatuur voor bijvoorbeeld het testen van materiaalmoeheid (bv. om de levensduur van een kunstknie vast te stellen), een scanning elektronenmicroscoop en een electrospinner voor het maken van zgn. scaffolds. Scaffolds (Engels voor steigers) zijn minuscule constructies die in het lichaam, bijvoorbeeld in een ader, worden geplaatst, waarna er lichaamscellen op groeien en het weefsel zich herstelt.
Daarnaast is er in de miniplant-faciliteit voldoende plaats voor apparatuur die onderzoekers zelf meebrengen.


Een in het oog springend biomedisch onderzoeksproject
Een van de biomedisch onderzoeksprojecten betreft de oogheelkunde (ophthalmologie). Het toedienen van geneesmiddelen in het oog is zeer onaangenaam voor patiënten met bijvoorbeeld maculadegeneratie of glaucoom. Het onderzoek richt zich op de wijze van toediening van die geneesmiddelen. Dat onderzoek gaat in de richting van een piepklein, spoelvormig hulpmiddel dat in het oog wordt geplaatst en dat het geneesmiddel gedurende langere tijd in de juiste dosering vrijgeeft.

Behalve oogheelkunde heeft het biomedisch onderzoek betrekking op toepassingen voor hart- en bloedvaten en orthopedie.

Pilot Plant complex met onder andere de biobased proeffabriek van Chemelot InSciTe
Artist impression BroekBakema

BIOBASED: slimmer materialen maken
Door op een slimme manier materialen te maken kunnen chemicaliën en materialen uit hernieuwbare grondstoffen worden geproduceerd. Chemelot InSciTe produceert dergelijke materialen, zgn. biobased building blocks (4Bs), die niet concurreren met de voedselketen, die water besparen en de kooldioxide-uitstoot verkleinen.

Biobased proeffabriek
Momenteel is de constructie van een gebouw voor proeffabrieken op Brightlands Chemelot Campus in volle gang. In dit complex brengen Sappi, Avantium en Technoforce hun proeffabrieken onder en ook Chemelot InSciTe vestigt hier een proeffabriek van 520 m2 voor de productie van biobased materialen.


Lignine als biobased bouwsteen
Een van de biobased onderzoeksprojecten betreft lignine, de bouwstof van planten die zorgt dat ze overeind blijven staan. Lignine heeft de natuurlijke neiging om af te breken; door dit fenomeen hebben oude boeken hun karakteristieke geur. Door de omzetting van lignine langs chemische weg gecontroleerd te laten plaatsvinden kunnen bouwstenen voor materialen worden verkregen. Het ontwerpen en opschalen van dit omzettingsproces is onderwerp van onderzoek.

Naast de weg van lignine naar 4Bs worden twee andere wegen onderzocht, waarbij hemicellulose resp. cellulose als grondstof dienen. Hemicellulose is een component van de celwand van planten, cellulose is tevens een bouwstof van planten, vooral bomen (waarin dus ook lignine zit).

Dit kan leiden tot de vervanging van fossiele grondstoffen, drop-in 4Bs, of tot heel nieuwe toepassingen, new 4Bs. Chemelot InSciTe maakt daarbij gebruik van de thermochemische, katalytische en biochemische deskundigheid die bij de partners aanwezig is.

Je kunt bij Chemelot InSciTe ook terecht voor de cursus “Werken in een proeffabriek”.

Samenwerking is cruciaal
Tijdens de officiële opening was er een toespraak door Koenraad Debackere, de directeur van de Katholieke Universiteit Leuven, waar men al veel langer dan in Geleen bezig is met campusontwikkeling.

Hij legde uit dat de samenwerking van een bedrijf met universiteiten leidt tot een hogere omzet van nieuwe producten, terwijl de samenwerking met leveranciers en klanten een stimulans is voor de omzet van verbeterde producten.

Debackere presenteerde zijn eigen versie van de Triple Helix, die aangeeft wat voor goede resultaten nodig is: ondernemerschap, samenwerking en goed beheer van intellectueel eigendom. Als bedrijven onderling samenwerken zijn ze vaak beducht voor de daarmee samenhangende risico’s (vooral het verlies van intellectueel eigendom). Via de samenwerking tussen bedrijven en universiteiten kunnen dergelijke risico’s worden verkleind - en dat is precies wat gebeurt bij Chemelot InSciTe.

De officiële start van Chemelot InSciTe vond plaats op 28 september 2015, voor meer informatie: www.chemelot-inscite.org.
*) Meer informatie over (de classificatie van) cleanrooms: https://nl.wikipedia.org/wiki/Cleanroom.