maandag 29 september 2014

Why water and energy are closely related

For me, as a Dutchman, there seems to be no resource more associated with abundance than water. However, from a global perspective, water is just as critical a resource as fossil energy when it comes to meeting the needs of 9 billion people in 2050.


Differences between water and energy
Both water and energy are essential resources. However, there are some remarkable diffences. First, water has more applications – is more versatile – than energy. Water is the very source of life. It is used for drinking (consumption), agriculture (irrigation, food production), manufacturing (chemical processes and cooling), transportation, cleaning (sanitation and bathing), etc.

The good news is that since 1990 well over 2 billion people have gained access to improved sources of drinking water.
However, it’s difficult to accept that still 783 million people do not have access to clean water. It is usually the poor and otherwise excluded and marginalized populations who tend to have least access to improved drinking water supplies.

And it’s alarming that water availability is expected to decrease in many regions. Agricultural use, currently accounting for approx. 70% of global freshwater withdrawals, is estimated to increase by at least 19% by 2050. Drivers of this development are the growth of the global population and changing diets.

Economic value
Energy is big business compared to water; I refer to my September 1, 2013 post “Energy For Nine Billion People”. Market forces have played an important role in the energy sector, while the management of water resources and the improvement of water-related services (water supply and sanitation) have been more of a public health and welfare issue.

Water resources are considered to be a ‘public good’ – with access to safe water and sanitation being recognized as a human right. Neither concept applies to energy and that’s why in most countries energy tends to attract greater political attention than water.

Whereas energy is required for the provision of water services, water resources are required in the production of energy.

The incentives to increase efficiency facing the two domains are asymmetrical: energy users have little or no incentive to conserve water due to zero or low prices, but water users normally do pay for energy, even though prices may be subsidized. Water and energy prices are strongly affected by political decisions and subsidies that support major sectors such as agriculture and industry, and these subsidies often distort the true economic relationship between water and energy. Particularly for water, price is rarely a true reflection of cost – it is often even less than the cost of supply.

The water-energy nexus
Water and energy are tightly interlinked. For example, increasing agricultural output will substantially increase both water and energy consumption, leading to increased competition for water between water-using sectors, including water intensive energy producers.

Global water demand (in terms of water withdrawals) is projected to increase by some 55% by 2050, mainly because of growing demands from manufacturing (400%), thermal electricity generation (140%), domestic use (130%), and agriculture.

Approximately 90% of global power generation is water intensive. Oil and gas extraction yields high volumes of ‘produced water’ (which is usually very difficult and expensive to treat).
Thermal power plants are responsible for roughly 80% of global electricity production, and as a sector they are a large user of water. For instance, power plant cooling is responsible for 43% of total freshwater withdrawals in Europe.
Local and regional impacts of biofuels can be substantial, as their production is among the most water intensive types of fuel production.

At the same time, there is clear evidence that groundwater supplies are diminishing, with an estimated 20% of the world’s aquifers being over-exploited. Deterioration of wetlands worldwide is reducing the capacity of ecosystems to purify water.

Progress must be made
It’s good to mention that the development and management of water and energy systems has the attention of the highest level of government, notably the United Nations. Their reports show that fortunately progress has been made over the last decades.
For example, in terms of manufactured goods, considerable achievements have been made in the design and formulation of products specifically aimed at reducing the water and energy content.

More progress must be made.
For example regarding the development of renewable energy, in particular solar photovoltaic and wind (these being energy sources that don’t consume water). However, the intermittent service provided by solar photovoltaic and wind often needs to be compensated for by other sources of power, which do require water to maintain load balances (geothermal energy for power generation could a good alternative).

Any means of avoiding food wastage should be encouraged and can result in considerable savings in the energy, land and water used to produce this food that no one consumes.

Energy audits to identify and reduce water and energy losses and enhance energy efficiency can result in substantial energy and financial savings, with savings of between 10% and 40% reported.

Chemically bound energy in wastewater can be used for domestic cooking and heating, as fuel for vehicles and power plants, or for operating the treatment plant itself.

Hopefully, substantial progress can actually be made in the near future.
In this context, the Sahara Forest Project may serve as a hopeful example; see my September 15, 2014 post “Not too good to be true”.

This blogpost was written at the occasion of TEDx Maastricht, October 13, 2014 (www.tedxmaastricht.nl).
Information for this post was taken from the “Progress on Drinking Water and Sanitation – 2014 Update”, published by the World Health Organization/Unicef for Water Supply and Sanitation (2014, www.wssinfo.org) and from “The United Nations Water Development Report 2014”, published by UNESCO (2014, http://www.unesco.org/new/en/natural-sciences/environment/water/wwap/wwdr/2014-water-and-energy/). 
Furthermore, I refer to www.unwater.org.

maandag 22 september 2014

Een land zonder grenzen

Chemelot Campus en Maastricht Health Campus voeren voortaan gezamenlijk het nieuwe merk Brightlands. Door hun reputaties te combineren zetten de beide campussen zich gezamenlijk in om nog aantrekkelijker te worden, zeker ook in het (verre) buitenland.


Voortaan is het dus Brightlands Chemelot Campus en Brightlands Maastricht Health Campus. Want hoewel de beide campussen elk hun eigen focusgebieden hebben, is er veel dat hen bindt.

Om te beginnen liggen ze vlak bij elkaar, gesitueerd in een innovatieve regio, waarvan zij zelf beeldbepalende exponenten zijn. Een regio die gekenmerkt wordt door het internationale karakter; de campussen liggen immers dichtbij steden als Leuven, Luik en Aken, waar gerenommeerde kennisinstituten gevestigd zijn.

Wat de campussen tevens bindt is dat hun focusgebieden, hoe verschillend ook, een gemeenschappelijke noemer hebben: de onderzoekers leggen zich toe op de ‘moleculaire wetenschappen’ – het onderzoek naar de kleinste deeltjes en hun vele toepassingen. De kennis die daarmee wordt voortgebracht draagt substantieel bij aan nieuwe oplossingen voor maatschappelijke opgaven, met name op het gebied van materialen, voeding en gezondheid (ik verwijs naar mijn post “Ik zie geen problemen, alleen uitdagingen” van 8 april 2013).

Kennis-As Limburg
De ontwikkeling van beide campussen wordt mogelijk gemaakt door de steun van krachtige partijen, met name de Provincie Limburg en de zgn. Kennis-As-partijen. Aan de campussen is een belangrijke rol in de economische ontwikkeling van de regio toebedeeld en er wordt verwacht dat zij die rol ook waarmaken.

Voor een beschrijving van het programma “Kennis-As Limburg: Groeimotor van de regio” van Universiteit Maastricht, Maastricht UMC+ en Zuyd Hogeschool verwijs ik naar mijn posts “Chemelot Campus: vliegwiel op de Kennis-As Limburg?” van 6 mei en “De kennis-economie verrijkt de samenleving (2/2)” van 20 juni 2013. In dit verband is het goed te weten dat de Kennis-As-partijen het merk Brightlands ook gebruiken wanneer zij over R&D communiceren.

Grenzen overschrijden
De tagline van Brightlands luidt: “Knowledge Crossing Borders”. De campussen maken zich namelijk sterk om kennis vanuit de hele wereld aan te trekken. Of beter gezegd: talentvolle, ambitieuze en charismatische onderzoekers en ondernemers, die in staat zijn om grenzen te overschrijden. Zij zijn bij uitstek in staat om kennis uit verschillende landen, onderzoeksgebieden én organisaties te combineren tot innovaties.
Zij zijn het die mogelijkheden zien om kennis te gelde te maken en zo – héél belangrijk – nieuwe werkgelegenheid te creëren.

De talenten van Brightlands
De komende tijd zal het verhaal “Brightlands” verder worden ontvouwd. Feitelijk is dat al begonnen met de concrete verhalen van vijf getalenteerde onderzoekers en ondernemers: Tinashe Ndoro, Annemie Schols, Maikel Beerens, Mark Post en Victor Vreeken.
Zij leveren boter bij de vis door hun persoonlijke getuigenissen bij de beweringen hierboven.

Onderzoeker Tinashe Ndoro werd geboren in Zimbabwe en vertrok toen hij 18 jaar was met een vliegticket enkele reis (een cadeau van zijn ouders) naar Europa om te gaan studeren. Nu is hij een opkomend talent bij het materialenonderzoek in Brightlands. Hij maakt nu zijn droom waar: te werken met toptalenten aan producten die de wereld tot een betere plaats maken.

Professor Annemie Schols houdt zich bezig met concepten om gezonder te eten. Dat is nodig. Want enerzijds lopen kinderen een steeds groter risico op ziekten die verband houden met obesitas. Anderzijds zien we steeds vaker ziekten die verband houden met afnemende spiermassa en functieverlies. Om deze trends te keren moeten we over op een gezondere leefstijl, met name door onze eetgewoonten aan te passen en voldoende te bewegen. Op dit gebied leidt Annemie in Brightlands het onderzoek, dat jonge onderzoekers uit de hele wereld aantrekt.

Wie ooit een gat in zijn schedel krijgt, moet (via de behandeld arts) zeker een beroep doen op ondernemer Maikel Beerens. Hij is in staat om de schade te repareren met behulp van een perfect passend 3D-geprint schedelimplantaat. 3D-printing (of ‘additive manufacturing’) neemt in Brightlands een prominente plaats in. Zo is er het Additive Manufacturing Materials Center, dat zich bezighoudt met de verbetering van polymeren voor deze toepassing. Maikel heeft ondertussen al 25 ziekenhuizen als klant. Daarbij hielpen zijn contacten met andere jonge ondernemers en de gemakkelijke toegang tot Universiteit Maastricht.

Professor Mark Post werd internationaal bekend door de zgn. kweekvleesburger. Een hamburger waar geen koe aan te pas kwam, maar die werd gekweekt in een laboratorium in Brightlands. Snelle kennis-uitwisseling, samenwerking tussen vele disciplines en korte communicatielijnen maakten dat mogelijk. De kweekburger is geen kunststukje op zich, maar is een stap op weg naar het oplossen van diverse maatschappelijke problemen: broeikasgassen, resistentie tegen antibiotica, toenemende vleesconsumptie, ontbossing en tekort aan drinkwater. Het onderzoek is er nu eerst op gericht om de kweekburger beter te doen smaken.

Ondernemer Victor Vreeken speelde een belangrijk rol bij de ontwikkeling van de zgn. PEF-fles, de eerst bio-based fles ter wereld, gemaakt van suikers. Het materiaal is sterk genoeg om alle mogelijke dranken lang te bewaren en is dan ook een prima vervanger voor het bekende PET. In Brightlands staat een PEF-proeffabriek om klanten als Coca-Cola en Danone te bedienen. Uitgerekend daar, omdat de benodigde kennis, de technische infrastructuur en het internationale netwerk daar aanwezig zijn.

Ga voor meer informatie over Brightlands naar www.brightlands.com. Je vindt hier onder ‘Meet bright people’ de volledige verhalen van Tinashe, Annemie, Maikel, Mark en Victor. 
En bekijk de (Engelse) video voor meer achtergronden van Brightlands: http://youtu.be/vaCJayXbADQ?list=UUA0C7VBpoFWwwzRF0h34l-w
Meer verhalen rond Brightlands zijn te vinden op www.thepowerofimpossibility.com.

maandag 15 september 2014

Not too good to be true

Green technologies to green the deserts around the world, that’s the objective of the Sahara Forest Project. Their principle: utilize what we have enough of to produce what we need more of – using deserts, saltwater and CO2 to produce food, freshwater and energy. What progress has been made since the project was presented during TEDx Maastricht 2013?


One of the presentations during the September 4, 2013 TEDx Maastricht was given by Joakim Hauge, CEO of the Norwegian foundation Sahara Forest Project. In my September 9, 2013 post “Get it done” I summarized his talk, which was about initiatives to use sea water to green the desert.

Restorative Growth
The efforts of the Sahara Forest Project are based on the notion that the greatest challenges of our time are closely interlinked: food, water and energy security, climate change, desertification, salinization and shrinking forests.

The Sahara Forest Project believes in the Restorative use of resources, instead of the traditional Extractive use or a more Sustainable use of resources. The project proposes an integrated system, using restorative practices to establish vegetation in arid areas and reverse the trend of desertification.

The project takes things we have enough of as input: deserts, saltwater and carbon dioxide. These things are used to produce the things we need: food, freshwater and energy. For this process several technologies are used as catalysts: core technologies and technology extensions.

Core technologies
The three core components of the Sahara Forest Project are:
  • Saltwater-cooled greenhouses: the project constructs greenhouses that use saltwater to provide suitable growing conditions, enabling year-round cultivation of high-value vegetable crops, even in desert conditions. By using seawater to provide evaporative cooling and humidification, the crops’ water requirements are minimized and yields maximized with a minimal carbon footprint.
  • Concentrated Solar Power (CSP) for electricity and heat generation: using mirrors (see picture below) to concentrate the sun’s energy for producing heat that is used to make steam to drive a steam turbine, which in turn drives a generator to produce electricity.
  • Technologies for desert revegetation: a collection of practices and technologies for establishing outside vegetation in arid environments, such as evaporative hedges.

Technology extensions
The Sahara Forest Project works as an enabling technology, creating opportunities for a wide range of businesses to develop alongside it, such as:
  • Salt extraction: brine from sea water that was used for cooling purposes is left in salt evaporation ponds and forms the basis for ordinary commercial salt production.
  • Algae production: marine algae are one of the most promising future sources of bioenergy and nutrients.
  • Traditional desalination: the energy of the CSP component in the facility can directly power a traditional desalination plant, offering a potential for increased freshwater production.
  • Mariculture (aquaculture): the farming of fish, snails, shrimp, abalone, and other aquatic animals for food can further utilize the seawater infrastructure of the Sahara Forest Project to produce additional high protein and high-value food.
  • Halophytes cultivation: halophytes are plants that can tolerate or even thrive in salty growing conditions. They may provide a natural and water-efficient means for soil remediation in brackish soils, in order to allow the cultivation of more typical freshwater crops.
  • Photovoltaics (PV): PV systems are best located in very sunny environments, such as deserts. PV is simple to operate and highly scalable. The added value of a Sahara Forest Project to PV is for example the dust reduction thanks to revegetation and the availability of distilled water for panel cleaning.
  • Bio energy: the Sahara Forest Project provides the opportunity to cultivate crops (i.e., bio-mass) on desert lands that are naturally unproductive for food, using only seawater and its derivatives.

Projects
The Sahara Forest Project will be rolled out along three commercial models:
  • The Test and Demonstration Center will be of a sufficient scale to prove the commercial viability of the concept, producing a wide range of crops and energy output.
  • The Oasis is the full-scale commercial implementation, containing greenhouses, cultivated outdoor vegetation and CSP as primary output-generating units.
  • The Farming Community is like the Oasis model, but made available to local participants at microfinance principles.

The Sahara Forest Project has an Oasis in Qatar and will establish a Test and Demonstration Center in Jordan.

Progress since TEDx Maastricht 2013
On June 22, this year, an agreement was signed for establishing a Test and Demonstration Center in Jordan. This center will be located near Aqaba and will cover 20 ha. The salt water will be retrieved from the Red Sea.

In July, this year, the Food and Agriculture Organization of the United Nations (FAO) published the report “Walking the Nexus Talk: Assessing the Water-Energy-Food Nexus in the Context of the Sustainable Energy for All Initiative”. In this report, the Sahara Forest Project is featured as a case study.

The Sahara Forest Project is not only about technology, because the project will also ensure local long-term social and economic development, for example by providing employment. That’s why I’m sympathetic towards the project, which rethinks the way we utilize our resources and rethinks the design of production systems.
Hopefully, the project can announce its first Farming Community soon.

This blogpost was written at the occasion of TEDx Maastricht, October 13, 2014 (www.tedxmaastricht.nl).
For more information about the Sahara Forest Project I refer to www.saharaforestproject.com.

maandag 8 september 2014

Hoe een Hollandse piraat toesloeg

Op het zuidelijkste puntje van Ierland ligt het havenstadje Baltimore. Ik vond hier niets dat herinnert aan de afgrijselijke gebeurtenis in 1631.


Baltimore (Dún na Séad, Gaelic voor ‘Fort of Gems’, Co. Cork) is het zuidelijkste stadje van Ierland. Er is een haven met vissersboten, zeilscheepjes en een zeilschool. Je kunt er op walvissafari en er zijn enkele eenvoudige hotels. Voor de kust liggen Sherkin Island, Heir Island en Cape Clear Island, waar je met veerboten naar toe kunt varen. Niks aan de hand, dus.

Baltimore, 1631
Niks aan de hand, zo was het ook in 1631. Maar in de vroege ochtend van 20 juni van dat jaar zeilden twee Algerijnse schepen er de haven binnen. De overval stond onder bevel van een Nederlandse kapitein die zijn loopbaan een wending had gegeven door piraat te worden – hij heette Jan Janszoon van Haarlem, alias Moerad Raïs de Jongere.

Bijna 200 Ieren en Engelse kolonisten werden gevangen genomen, in de ijzers geslagen en als slaven naar Noord-Afrika afgevoerd. Sommigen zouden als galeislaven hun verdere leven slijten, anderen zouden vele jaren in de afzondering van de harem van de Sultan doorbrengen of als slaaf binnen de muren van een van zijn paleizen.
Slechts drie zouden Ierland terugzien. Een kwam al gauw met losgeld vrij en twee anderen in 1646. Het is onduidelijk waarom anderen die in 1646 nog leefden, niet zijn vrijgekocht. Misschien wilden ze na al die jaren net zo lief in Algerije blijven, waar ze waarschijnlijk niet slecht behandeld werden.

Na de overval verhuisden de overgebleven inwoners van Baltimore naar het nabijgelegen Skibbereen; Baltimore bleef generaties lang verlaten.

De plundering van Baltimore was de grootste aanval ooit door piraten op Ierland en Groot-Brittanië. Toch was dit niet de enige overval, sterker nog: Ieren spanden piraten dikwijls voor hun karretje om de Engelse kolonisten in Ierland het leven zuur te maken, en omgekeerd. Ook de overval op Baltimore wordt gezien als resultaat van een vete tussen twee grondeigenaren, de Ier Fineen O’Driscoll en de Engelsman Walter Coppinger. Bij het navigeren door de Ierse wateren kreeg Jan Janszoon hulp van John Hackett, die daarvoor twee jaar later werd opgehangen.

Moerad Raïs de Jongere
De meest interessante persoon bij deze gebeurtenis is natuurlijk onze landgenoot Jan Janszoon van Haarlem (1570-na 1641). Hij begon zijn piratenloopbaan als schipper van een Hollands kapersschip, die Spaanse schepen overviel. Hij leed schipbreuk op de rotsen van Lanzarote, waar hij werd gered door een andere Hollandse piraat, Ivan de Veenboer. In 1620 kwam hij in Algerije terecht en bekeerde zich tot de islam. Enkele jaren later had hij het bevel over 17 kaperschepen. Hij had een goede verhouding met de plaatselijke sultan, ondanks dat zijn piratennest Salé vrijwel onafhankelijk was.

In maart 1627 plunderde Janszoon Grindavik en Austurland aan de kust van IJsland, nam 242 mensen als slaaf gevangen en voerde hen mee naar Algerije. Slechts dertien van hen zagen IJsland terug, onder wie de Lutherse predikant Ólafur Egilsson, die na een jaar tegen betaling van losgeld wist vrij te komen. De plundering van Baltimore was dus niet het enige wapenfeit van Janszoon.

Janszoon was getrouwd in Haarlem en had daar een kind. In Salé trouwde hij nog eens met een Moorse van Spaanse afkomst. Een zoon uit dit huwelijk, Anthony Janse van Salee, emigreerde naar het toenmalige Nieuw-Amsterdam, later New York. Hij was de voorvader van onder anderen de ondernemer Cornelius Vanderbilt (1794-1877), de acteur Humphrey Bogart (1899-1957) en presidentsvrouw Jackie Onassis (1929-1994).

Janszoon zelf zou zich zich tegen veel geld weer in Holland hebben gevestigd, waar hij een rustige oude dag genoot.

Over de plundering van Baltimore werd een folksong geschreven, de “Ballad of Baltimore”; hier de uitvoering door Chris Bolister: http://youtu.be/0mC70WvEdz4

Er is een boek verkrijgbaar over de plundering van Baltimore, “The Stolen Village: Baltimore and the Barbary Pirates” door Des Ekin (2008), maar dat heb ik niet gelezen.

Zie ook mijn blogposts “Impressies van een Groen Eiland” van 4 augustus, “De grootste ter wereld” van 11 augustus, “Wat na duizenden jaren overblijft” van 18 augustus en “Gouden Eeuwen in Ierland” van 25 augustus 2014, alle vier over Ierland.

maandag 1 september 2014

Why a Facebook page is sometimes better

Facebook is the social network with most members. Therefore, a golden opportunity for everyone who has something to say. I think, a dedicated Facebook page comes in handy.


In my April 21, 2014 blog post I’ve been critical about Facebook. Nevertheless, I admit that nowadays Facebook is the world’s most important social platform. Just have a look at the number of users worldwide:
  • Facebook: 1.2 billion active members each month
  • Google+: 300 million active users
  • LinkedIn: 277 million members
  • Twitter: 241 million active members
  • Tumblr: 168 million blogs.
Or have a look at the ranking of websites by number of visitors, according to www.alexa.com:
  1. Google.com (this is the world’s most visited website)
  2. Facebook.com
  3. Youtube.com
  4. Yahoo.com
  5. Baidu.com
  6. Wikipedia.com
  7. Twitter.com
  8. Amazon.com
  9. Qq.com
  10. Live.com
  11. LinkedIn.com.
  12. Taobao.com.
In short, in the social media world you cannot avoid Facebook.*)
The days that Abraham, Georgia Sam, Mack the Finger, ‘the second mother and the seventh son’ and ‘the rovin’ gambler’ went down to Highway 61 are over – today, they’re going to Facebook (tweet this).

And that’s also true regarding my blog, since statistically Facebook offers the best opportunity to reach my readers.

Facebook timeline
Some of the readers of my blog may have noticed that recently I announce my blog posts via a dedicated Facebook page. These announcements reach my personal Facebook timeline by sharing those posts; that’s my additional action.

Now, I answer the question: why such a page? What’s wrong with the personal timeline?

Let’s start with the similarities: you can only get access if you are a Facebook member. No member, no access.

An important difference is that the posts in my personal timeline are in principle only visible for my Facebook friends. In practice, this may be disappointing, as I’ve explained in April 21 blog post.

Maybe I have an extraordinary opinion, but I think that a Facebook friendship supposes a certain degree of friendly relationship in real life.
Since I want to reach via Facebook also readers of my blog with whom I have no friendly relation in real life, with whom I don’t enter a Facebook friendship and who I don’t even know, a post on my personal timeline is unsufficient to reach my readers.

Facebook page
And that’s exactly the reason why I have a Facebook page. A post on a Facebook page is visible for everybody who has liked this page.

If you like to stay up to date with my blog via Facebook, we don’t necessarily have to be Facebook friends. The only thing you do is like my Facebook page. This looks like one-way communication, but on that page you still have the opportunity to comment (I really appreciate these comments) and if necessary I will respond.

Thus, I made a distinction that’s good for me, my Facebook friends, as well as the readers of my blog. Via my personal timeline I inform my friends about things that keep me busy and my Facebook page is only about my blog. This split provides me a certain degree of freedom in my personal timeline. And who liked my Facebook page (and is not necessarily my Facebook friend) is only informed about my blog.
An additional advantage of this ‘construction’ is that it lowers the threshold for people that I don’t know, but who still like to follow my blog.

Create your own Facebook page
Now, after this explanation about the ‘why’ and ‘how’ of Facebook pages follows the ‘what’ (see my July 7, 2014 blog post). If the above has inspired you to create your own Facebook page, go straightaway to www.facebook.com/pages/create.

Facebook distinguishes six types of pages:
  1. Local Business or Place of Interest
  2. Company, Organization, or Institute
  3. Brand or Product
  4. Artist, Band or Public Figure
  5. Entertainment 
  6. Cause or Topic (I choose this option).
Choose an option, select a category, fill out relevant data, and add a profile picture. Then, you can notify your Facebook friends or – by means of an advertisement – all (or a selection of) Facebook users.

I invite you: get started!  I’m awaiting your invitation to like your page…

Example
As an example, I mention the Facebook page The Power of Impossibility, with inspiring stories about big and small impossibilities that actually turned out to be possible: www.fb.com/thepowerofimpossibility. I have liked this page and so can you, without necessarily being Facebook friends with its initiators.

Question: how do you like to be kept up to date with my blog: via my personal Facebook timeline or my Facebook page?
You can comment via my Facebook page www.fb.com/blogklaasbos (who has liked this page: thanks).

*) A third indicator of Facebook’s large influence is the profitability of this company:
  • Facebook: net profit 2013: $ 1.5 billion 
  • Google: net profit 2013: $ 12.9 billion (Google is much more than Google+)
  • LinkedIn: net profit 2013: $ 26.8 million
  • Twitter: net LOSS 2013: $ 645 million.