maandag 30 december 2013

Center Court building at Chemelot Campus

For the realization of the Center Court building at Chemelot Campus Ector Hoogstad Architects was selected. Read this blogpost about the new ‘beating heart’ of the campus in Sittard-Geleen.

Artist impression exterior Center Court
(source: Ector Hoogstad Architects)

Ector Hoogstad Architects
Ector Hoogstad Architects is renowned for a number of eye-catching buildings, such as Metaforum at Eindhoven University of Technology and Orion at Wageningen University.

Center Court
The Center Court building is crucial for the future development of Chemelot Campus. This will be the ‘beating heart’ of the campus for the growing campus community and for the many visitors that are expected. It will be a place where people can really convene – instead of ‘just’ having formal meetings. There will be quite extensive conference and catering facilities.
Chemelot Campus strives to become a real community, and in the Center Court this community will prosper.

The building will also have sports facilities for the so-called ‘Chemelot on the Move’ program.

Finally, Center Court will be the landmark of Chemelot Campus. It will be – so to speak - the ‘spark plug’ of the engine, which Chemelot Campus is for the economy of the whole region.

Students and researchers
Center Court will be a place where students and researchers can thrive and connect. Center Court will provide the housing for Chemelot Innovation and Learning Labs (CHILL), the center of expertise for chemistry, in which Leeuwenborgh Opleidingen, Arcus College, Zuyd University, Maastricht University, SABIC, and DSM collaborate. Currently, CHILL is located in an existing building at the campus.

Maastricht University will use the Center Court for offices and laboratories of the Bachelor Maastricht Science Programme and for the new Master and research group Biobased Materials; these activities are currently located in existing buildings on the campus.
The close cooperation with knowledge institutes and companies as well as the proximity of high-end equipment is a major asset for the activities of Maastricht University at Chemelot Campus.

In addition, Center Court will play an important role in innovation for DSM, as a large number of the employees of the DSM Innovation Center will move there.

Artist impression interior Center Court 
(source: Ector Hoogstad Architects)

Financing
Center Court is financed by Chemelot Campus Vastgoed c.v., a collaboration of the Dutch Province of Limburg, DSM Nederland B.V., and Maastricht University. Partially for Center Court the Province has recently decided to add 43.5 million Euro extra to the combination’s equity (see the February 22, 2013 press release).
The building is also possible through a combined grant from the Province of Limburg and the surrounding municipalities of Sittard-Geleen, Stein, Beek, and Schinnen.

It’s again an example of the power of the so-called Triple Helix: collaboration between governments, knowledge and education institutes, and companies.
Center Court involves an investment of approximately 45 million Euro.

Temporary facility
The projected location for Center Court is the current campus restaurant. This means that this place will be demolished. It's not possible to realize the ambitions for Chemelot Campus with this building.

An existing building on the campus will be prepared as a temporary facility, as a place to have lunch and for meetings. This facility will be available as from January 2014. The arrangements in this building will give – as much as possible – a foretaste of the atmosphere in Center Court.

Question (to stick to my metaphor): what will be the most important ‘spark’ that will fly from the Center Court?

This blog post is based on the October7 , 2013 press release, issued by Chemelot Campus B.V.; it’s a repost of my (Dutch) October 21, 2013 blog post. Please let me know if like to read other posts in English.
For more information about Chemelot Innovation and Learning Labs (CHILL) I refer to www.chillabs.nl/en.
For more information about the Maastricht Science Programme go to http://www.maastrichtuniversity.nl/web/Schools/MaastrichtScienceProgramme.htm.
For more information about the DSM Innovation Center see: http://www.dsm.com/corporate/about/innovation-at-dsm.html.

maandag 23 december 2013

Eigen ‘hypocaustum’ is goud waard

Tweeduizend jaar geleden veroverden de Romeinen het tegenwoordige Zuid-Limburg, dat vervolgens ruim vier eeuwen deel uitmaakte van het Romeinse rijk. Tijdens een bezoek aan het Thermenmuseum in Heerlen zag ik hoe het leven van de toenmalige bewoners daardoor ingrijpend veranderde.

Veroverd
De Romeinen veroverden het gebied tussen Maas en Rijn op de Eburonen. Julius Ceasar (100-44 v. Chr.) maakte korte metten met deze Gallische stam, toen die tegen de Romeinen in opstand kwam onder leiding van hun leider Ambiorix (zijn beeld staat in Tongeren).
Aan enkele eeuwen van relatieve rust, de ‘pax romana’, maakten Germaanse stammen in de derde eeuw na Chr. drastisch een einde. Dat ging gepaard met grootschalige plunderingen. Uiteindelijk trokken de Romeinen zich terug en bleef er een ontwrichte samenleving achter.

De verovering door de Romeinen bracht veel veranderingen met zich mee, bijvoorbeeld in de landbouwproductie. De Germaanse bevolking was tot de komst van de Romeinen zelfvoorzienend. Aan de noordelijke grens van het Romeinse rijk, langs de Rijn, werden evenwel Romeinse legioenen gestationeerd, zo’n 20.000 soldaten op minder dan 100 kilometer afstand van Zuid-Limburg. Om al die monden te voeden, moest de lokale bevolking veel meer gaan produceren. Dankzij de vruchtbare lössbodem slaagden de boeren van Zuid-Limburg daar wonderwel in.

Deze ontwikkeling brengt mij op de filosofie van de Engelse filosoof John Locke (1632-1704). In zijn tijd werden de ‘gemene gronden’, de gemeenschappelijke landbouwgronden van de dorpsgemeenschappen, onteigend door de Engelse landadel. Locke voert als rechtvaardiging daarvan aan dat de wolproductie daardoor toenam (enigszins zoals de landbouwproductie in Zuid-Limburg toenam onder de Romeinse overheersing). Het in bezit nemen van land van wie het braak laat liggen is volgens die gedachtegang rechtvaardig. De landadel bewerkte immers het land en had daarom het recht om dat in bezit te nemen. Hans Achterhuis beschrijft deze filosofie in “De utopie van de vrije markt” (2010) als een soort prelude op het hedendaagse neoliberalisme. In de Romeinse tijd was verovering tijdens een oorlog dé manier om aan bezit te komen – in vergelijking daarmee stond de commercie minder in aanzien. Ik kom hier in een latere blogpost wellicht nog op terug.

De vicus (ruraal centrum) Coriovallum (Heerlen) ontstond op het kruispunt van twee hoofdwegen, de Via Belgica (Keulen-Bavay) en de heerweg tussen Trier en de legerplaats Xanten (Aken-Xanten). In het Noord-Franse Bavay vertakte de Via Belgica zich, noordwestelijk naar Boulogne en zuidelijk naar Soissons en Reims. 

Hypocaustum
Zuid-Limburg was een aantrekkelijke regio voor de Romeinen, vanwege de vruchtbare lössbodem, het overvloedig aanwezige water en het voorkomen van allerlei soorten natuursteen.

Dankzij de ‘pax romana’ komt de regio tot bloei. Landbouw en handel floreren, de bevolking groeit en er ontstaan dorpen en steden, met name Heerlen en Maastricht. In Coriovallum vestigden zich opmerkelijk veel pottenbakkers, die gebruikmaakten van de klei die vlakbij te vinden was. Zij produceerden aardewerk voor de hele regio.

De inheemse bevolking neemt typisch Romeinse gebruiken over, wat zich met name uit in de huizenbouw. De Romeinse bouwstijl was compleet anders dan de inheemse stijl die gekenmerkt werd door huizen van vergankelijk materiaal, zoals hout, wilgentenen, leem en riet.
De Romeinen hebben een voorkeur voor onvergankelijke materialen: natuursteen, gebakken klei (dakpannen) en beton, dat door de Romeinen werd uitgevonden. In plaats van boerderijen met één grote binnenruimte beschikten Romeinse huizen over verschillende vertrekken, soms voorzien van decoratieve elementen, zoals fresco’s of mozaïekvloeren (de typisch Romeinse ‘villa’). Dit alles in de beste tradities van de Romeinse architect Vitruvius (ca. 85-20 v. Chr.).

In Coriovallum ontstond een badhuis, de thermen. Het Thermenmuseum is als een conserverende stolp over de restanten daarvan heen gebouwd. Dit badhuis van 50 bij 50 meter, dat ook een ontmoetingsplek was voor de plaatselijke bevolking, werd uitgerust met een ingenieus systeem voor vloer- en wandverwarming.



Dit is het hypocaustum-systeem (zie afbeelding). Een verwarmd vertrek heeft twee vloeren. De onderste bestaat uit grote tegels met daarop stapels kleinere tegels. Daarop worden grote tegels gelegd. Zo ontstaat een tweede, zwevende vloer, die met een laag beton wordt afgewerkt. In de muur worden holle pijpen van gebakken klei gemetseld, met daarin gaten. Zo ontstaan kanalen waar warme lucht door stroomt. Het enige dat nog nodig was voor warme voeten (en badwater) was een goed houtskoolvuur.

Verandering van spijs doet eten
De veranderingen blijven niet beperkt tot de huizenbouw. Ze hebben ook betrekking op religie, rituelen rond de dood, de kleding en het eten.

Zo kwamen bij de Germanen vooral peulvruchten, granen, kool en knolgewassen op tafel; rundvlees was populair en wat graan betreft ging de voorkeur uit naar gerst en gierst.
De Romeinen introduceerden walnoten, tamme kastanjes, pruimen, eieren, kippenvlees en een heel assortiment kruiden, zoals dille en koriander. Andere etenswaren werden geïmporteerd, zoals olijven, wijn en vijgen. De Romeinen waren dol op varkensvlees en wat granen aangaat hadden ze liever spelt. 

Recept voor flamingo
Ik sluit af – waarschijnlijk net te laat met het oog op Kerst – met een recept uit een Romeins kookboek, dat werd geschreven voor Apicius (wat zoiets betekent als ‘luxe lekkerbek’):

Pluk en was de flamingo, bind hem op en leg hem daarna in een ketel. Doe er water, dille en azijn bij. Zodra de flamingo halfgaar is, komt er prei en koriander bij. Doe in een wrijfschaal peper, komijn, koriander, laserwortel, munt en wijnruit. Goed mengen. Voeg azijn en een dadel toe, samen met de flamingobouillon. Giet het kruidenmengsel over de flamingo in de ketel en dien op.
Op dezelfde manier kook je een papagaai. 

Vraag: wie weet een goede poelier? 

De website van het Thermenmuseum in Heerlen: www.thermenmuseum.nl.

maandag 16 december 2013

Spring maar

Vier keer in mijn leven kreeg ik een ongeluk. De tweede keer bracht mij dat de liefde voor atlassen bij.
ONGEVAL 2 (val van landbouwwagen)

De toedracht
Ik was vier jaar en ik speelde met buurtkinderen bij de plaatselijke smid – die had je nog in die tijd. We klauterden over allerhande landbouwwerktuigen. Ik wilde van een grote wagen springen en een meisje, hooguit een jaar ouder dan ik, zou me wel even opvangen. Zij maakte dappere vangbewegingen, maar ik pletterde pardoes op de dissel van die wagen.

De schade
Krijsend van schrik, boosheid (op die trut) en de pijn werd ik naar het ziekenhuis in Assen gebracht. Hier werd mijn been keurig in het gips gezet, want ik had mijn linker scheenbeen gebroken.
Latijnse benaming: tibia (botbreuk 2).

Het herstel
Zes weken lang moest ik binnen zitten. Een timmerman, met wie mijn ouders bevriend waren, maakte voor mij uit blank vurenhout een bureautje-op-maat, waaraan ik kon lezen, knutselen en puzzelen.

Na de gestelde tijd ging ik naar het ziekenhuis om het gips te laten verwijderen. Ik schrok mij wezenloos van de enorme schaar waarmee dat moest gaan gebeuren. Ik krijste even hard als toen ik vlak na mijn ongeluk het ziekenhuis werd binnengebracht. Maar de arts drong aan en ik werd van het gips ontdaan.

Voordat het zover was, moest ik met mijn moeder in de wachtkamer op mijn beurt wachten. Ik keek om mij heen en zag een oudere meneer zitten. Daarop schalde mijn schrille kinderstem door de doodstille ruimte: "Kijk mam, wat heeft die man 'n dikke kop!"

De nasleep
Ik ontwikkelde tijdens het herstel een ongelooflijke vaardigheid in het leggen van puzzels. Eentje daarvan was een topografische kaart van Drenthe. Toen is ongetwijfeld de kiem gelegd voor mijn latere liefde voor atlassen, zie mijn blog van 27 mei 2013.

Ik kan me niet herinneren dat ik dat meisje ooit heb teruggezien.

“Je mag nog van geluk spreken, want...”
...Want ik was nog jong en herstelde snel.

Vraag: welke ongelukken kun jij je nog van je kinderjaren herinneren?

Lees mijn blog van 16 september 2013 voor de herinneringen bij mijn eerste botbreuk.
Lees volgende blogs over mijn latere ongevallen.

maandag 9 december 2013

Vriend van de plant

‘Ami’ is Frans voor vriend en ‘BM’ is de afkorting van biobased materialen. AMIBM – vriend van de plant – is daarom een passend acroniem voor het Aachen-Maastricht Institute for Biobased Materials (AMIBM). Dit instituut ging onlangs op Chemelot Campus aan de slag.



AMIBM is een initiatief van Universiteit Maastricht (UM) en RWTH Aachen (onder meer via het Institut für Textiltechnik, ITA). Deze universiteiten hebben er drie hoogleraren aangesteld: Rainer Fischer (Molecular Biotechnology), Stefan Jockenhövel (Tissue Engineering & Textile Implants) en Sanjay Rastogi (Polymer Physics).

AMIBM doet onderzoek naar de teelt, winning, veredeling en toepassing van hoogwaardige grondstoffen uit de natuur: uit planten of bacteriën worden materialen gewonnen, verwerkt en opgewaardeerd tot biomaterialen met nieuwe of verbeterde eigenschappen voor medische en technische toepassingen.

Eigen benadering
Doorgaans vormt plantaardig restmateriaal de grondstof voor de (chemische) conversie naar biobased bouwstenen. Uit deze bouwstenen worden vervolgens kunststoffen (van monomeren naar polymeren) of brandstoffen vervaardigd.
De eigen benadering van AMIBM zit in de wijze waarop die biobased bouwstenen worden gewonnen. Als het aan AMIBM ligt, worden die namelijk niet (chemisch) geconverteerd, maar gemaakt door de plant zelf! Kortom, in vivo-productie met behulp van energie die door fotosynthese wordt geleverd.
Het is zelfs mogelijk niet alleen monomeren, maar ook polymeren te produceren door het veredelen van planten of bacteriën. Hierbij doet AMIBM een beroep op de expertise van het gerenommeerde Fraunhofer Institute for Molecular Biology and Applied Ecology (IME).

AMIBM heeft nog wel wat problemen op te lossen. Zo zijn er al bacteriën die biopolymeren, met name zgn. polyhydroxyalkanoaten (PHA’s) produceren; goedkoop te maken én biologisch afbreekbaar. Maar: het is lastig om het kristallisatieproces te controleren, met als eindresultaat polymeren van slechte kwaliteit, die moeilijk zijn te verwerken. AMIBM staat voor de opgave om biobased hulpstoffen te ontwikkelen die dat kristallisatieproces te verbeteren, waardoor die PHA’s gemakkelijker zijn te verwerken en voor bredere toepassingen beschikbaar komen.


AMIBM-projecten
Veelbelovende projecten van AMIBM zijn:
  • De verbetering van de kwaliteit en de oogst van paardenbloemen, zodat daaruit op commerciële schaal rubber van hoge kwaliteit kan worden gewonnen. De eerste autobanden uit paardenbloemen zijn er al! (tweet dit)
  • De veredeling van aardappelen, zodat ze zetmeel produceren met hoge gehalten aan amylose, amylopectine en fosfaten.
  • De veredeling van planten, zodat ze hoogwaardige producten, zoals farmaceutische proteïnen, industriële enzymen, brandstoffen of kleine chemische bouwstenen produceren.
  • De ontwikkeling van systemen voor verticale landbouw, waarmee landbouw veel efficiënter wordt in verhouding tot het grondgebruik. Denk daarbij aan de overdekte teelt van planten zonder gebruik van teeltaarde in verschillende verdiepingen.
  • De productie van de biobased brandstof hexanol uit cellulose in restproducten van de reguliere landbouw (zoals stro) door middel van anaerobe fermentatie. Voor die fermentatie moeten micro-organismen worden veredeld.
  • De productie van vliegtuigbrandstof uit afgassen van de industrie, die kooldioxide, koolmonoxide en waterstof bevatten, eveneens door middel van anaerobe fermentatie.
Biomaterialen zijn geschikt voor technische toepassingen, zoals transportmiddelen (denk aan dashboards, transportbanden, airbags en interieurs), gebouwen (bv. gevelpanelen en tapijten) en energie (bv. isolatie). Daarnaast zijn er legio medische toepassingen, zoals voor tissue engineering, medisch textiel, hygiëne en gezondheidsmonitoring.
Overigens is niet alleen de paardenbloem een geschikte bron van biomaterialen, er wordt ook gekeken naar tabak en hennep.

Unieke onderzoeksapparatuur
AMIBM bouwt een installatie die biopolymeren tot vezels kan ‘verspinnen’. Daartoe worden polymeren in oplossing gebracht en niet zoals gebruikelijk gesmolten. De hoge temperaturen die met smelten gepaard gaan zijn namelijk schadelijk voor biopolymeren. De machine kan ook vezels uit twee componenten maken (coëxtrusie), waarmee in één vezel de eigenschappen van twee materialen worden gecombineerd. De installatie kan de geproduceerde vezels desgewenst voorzien van een coating die weer nieuwe eigenschappen kan toevoegen. De vezels worden onder ‘GMP condities’ (General Medical Practice) gesponnen, zodat ze geschikt zijn voor klinische toepassingen, zoals implantaten.

Kennis-As Limburg
AMIBM is een project in de Kennis-As Limburg, waar landbouw, chemie & materialen en medische toepassingen ´omheen draaien´ (zie mijn blog van 6 mei 2013). De onderzoekinfrastructuur en de samenwerking met het bedrijfsleven – oftewel de combinatie van wetenschappelijke en commerciële oriëntatie – bindt afgestudeerden aan de regio en zorgt voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven.

De biobased producten en processen die AMIBM ontwikkelt zullen hun toepassing vinden in de medische, technische en consumentensector en zijn daarmee van grote maatschappelijke waarde.

Tenslotte draagt AMIBM bij aan de regionale werkgelegenheid: het is de ambitie om in 2021 66 arbeidsplaatsen voor kenniswerkers te bieden.

Vraag: wat zijn jouw verwachtingen van de ‘biobased economy’?

Volg AMIBM verder via www.amibm.org.

maandag 2 december 2013

Je moet anders gaan leven!

Een fitnesscentrum gaf recentelijk een krantje uit met de titel: "Het beste uit jezelf halen." Anders gezegd: wie iets van zijn leven wil maken, moet oefenen. En niet alleen om lichamelijk fit te blijven.

Je moet je leven veranderen
In 2009 verscheen "Du muβt dein Leben ändern: Über Anthropotechnik" van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk (“Je moet je leven veranderen: over antropotechniek”). De titel is afkomstig uit een gedicht van Rainer Maria Rilke met de slotregel: "Du muβt dein Leben ändern" (zie hieronder).

Het boek gaat over de mens in training, de mens voor wie het verschil tussen volkomen en onvolkomen niet om het even is, die toont dat hij gemotiveerd is tot nieuwe inspanningen en die daarbij zijn aanhankelijkheid aan een comfortabele manier van leven opgeeft.

De oefenende mens voert naar een expeditie in de wereld van verticale spanningen, waarbij het opklimmen op de jakobsladder van de volkomenheid wordt gekenmerkt door woorden als heiligheid, voornaamheid, dapperheid, macht, excellentie, overvloed, kennis en verlichting. Om dit te bereiken zijn verschillende oefeningen mogelijk: yoga, atletiek, filosofie, muziek en daden van zelfvermaning, zelfbeproeving en zelfevaluatie.

Oefenen vergt ascese. Klassieke voorbeelden van ascese zijn vasten, zware lichamelijke oefeningen en seksuele onthouding. Topsport vergt een specifieke vorm van ascese. Het is opmerkelijk dat na 1900 de atleet opdook in de vorm van een alomvattende sportcultuur, met name in de moderne Olympische Spelen. Voor oprichter De Coubertin vormden die spelen een nieuwe religie: sport splitst de realiteit in gewone en buitengewone situaties. Al oefenend bereiden atleten – de nieuwe clerus – ‘buitengewone situaties’ voor. Het publiek kan – vanuit zijn ‘gewone situatie’ – slecht bewonderend opkijken. Zo schreef columnist Wilfried de Jong in NRC Handelsblad over Epke Zonderland, die op 6 oktober 2013 wereldkampioen werd: “Tijdens zijn oefening aan de rekstok is [hij] onbereikbaar. Epke vliegt in een wolk magnesium, suist vrij door de lucht en wij, dagelijks op de aarde gehouden door de zwaartekracht, zijn hem bijna uit het oog verloren.

Oefening brengt het onmogelijke in beeld. Kafka trekt het oefenen door tot in het absurde met verhalen als “Een verslag voor een academie” en “Een hongerkunstenaar”.

Cultuur
Toch moet ook de ‘gewone man’ zijn leven veranderen, simpelweg om te kunnen overleven. Uitsterven is immers het meest waarschijnlijke resultaat van de evolutie, overleven is onwaarschijnlijk. Daarom moet het bestaan van de mensen van morgen geheel op oefening zijn gebaseerd – en dat gebeurt in een cultureel bepaalde omgeving.

Cultuur is als een basiskamp met een trainer (bijvoorbeeld een goeroe, apostel, filosoof, vakman of professor) en een set voorschriften (ordeningsregels). Je moet je leven veranderen om een goede levensvorm te vinden. Hierbij geldt de ethische norm dat je je om je fouten bekommert en deze, als je je er eenmaal bewust van bent, naar beste weten corrigeert.

Mensen die oefenen wordt een 'zegepraal' in het vooruitzicht gesteld, een nastrevenswaardig doel. Dit doel wordt niet van ene op de andere dag (revolutionair) bereikt. Zo heeft het streven naar perfectie zich slechts gaandeweg van monniken (kloosters) uitgebreid naar de hele kerk en – via de Verlichting – naar de hele mensheid. Van eenlingen naar eenieder.

Daarbij staat de cultuur – het dressuur-systeem voor het overdragen van regionaal levensbelangrijke cognitieve en morele kenmerken op volgende generaties – er garant voor dat variatie slechts in beperkt mate wordt geaccepteerd. In een cultuur wordt eerst het onwaarschijnlijke in het waarschijnlijke omgezet, het onherhaalbare in het herhaalbare en uitzonderlijke inspanningen in conventies, zodat ze school kunnen maken en tot cultuurverschijnsel worden.

De eerste trainers zijn de uitzonderingsmensen (bijvoorbeeld stichters van religies), zelden is sprake van revolutie, meestal slechts van een verandering van gezindheid (‘metanoia’). Of in de terminologie van Sloterdijk: doorgaans een trainerswisseling, zelden een ander oefensysteem.

De moderne mens
De moderne mens leeft niet simpelweg, maar heeft een leven te leiden. Hij wordt allerwegen opgeroepen om uit zijn eigen ik een project en uit dat project een onderneming te maken. Hij staat voor de opgave om het script van zijn eigen bestaan in een uitvoering, een soort show op het podium om te zetten en daarbij te aanschouwen hoe anderen hem aanschouwen. De moderne mens is de virtuoos, de succeskunstenaar, de ondernemer (de "ik-BV”), in feite elk mens met verreikende voornemens.

De moderne mens heeft het oefenende leven een plaats gegeven in de moderne trainings-, onderwijs- en arbeidsmaatschappij. Het sleutelbegrip is 'enhancement', wat zich uit in praktijken als plastische chirurgie, fitness-management, wellness-service en systematische doping. Daarbij wordt gebruik gemaakt van antropotechnieken: het beheersen van apparaten wat in discrete, expliciete en gecontroleerde stappen het gewenste resultaat moet opleveren. Als voorbeeld de school: de moralistische destilleerkolf van de moderne samenleving, oftewel een systeem voor mensenverbetering. Naast het schoolsysteem zijn er hulpmiddelen voor de mens die het leven op deelgebieden veranderen (antropotechnische werking), meestal dingen, zoals de bril, het papier, de reclame en het bankkrediet. Eerst als innovaties die op beperkte schaal worden begroet, daarna breed ingezet en soms misbruikt.

Wereldwijde catastrofe
Alles wat we tegenwoordig zien, horen en lezen heeft als boodschap: "je moet je leven veranderen,” want het is immers duidelijk dat het zo niet door kan gaan. De enige autoriteit die nu zoiets mag zeggen is ‘de globale crisis’. Zij beroept zich op iets onvoorstelbaars: de wereldwijde catastrofe. De Grote Catastrofe is de godin van deze eeuw. Zij blijft verhuld, maar geeft zich al in tekenen te kennen. De vermaning luidt: verander je leven. Anders zal vroeg of laat de volledige onthulling jullie tonen wat jullie gedurende de tijd van de voortekenen verzuimd hebben.

De acteurs op het politieke toneel lijken de tekenen der tijd niet te verstaan: partijen en volkeren beconcurreren elkaar. Maar nu de problemen wereldomvattend zijn, valt het onderscheid tussen vriend en vijand weg. Een cultuur van welbegrepen eigenbelang is noodzakelijk. De ordeningsregels van die cultuur coderen de antropotechnieken met als einddoel: in dagelijkse oefeningen de gewoonten van het gezamenlijk overleven aan te nemen.

Vraag: welke ‘oefeningen’ zijn volgens jou nodig om aan de 'wereldwijde catastrofe' te ontkomen?

Rainer Maria Rilke: “Archaischer Torso Apollos” (1908)

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht. Du muβt dein Leben ändern. (tweet dit)

Het verhaal “Ein Bericht für eine Akademie” (1917) is online te vinden (zoek op ‘akademie’ om naar het begin van het verhaal te gaan). Ook het verhaal “Ein Hungerkünstler” (1923) is online beschikbaar.