maandag 30 december 2013

Center Court building at Chemelot Campus

For the realization of the Center Court building at Chemelot Campus Ector Hoogstad Architects was selected. Read this blogpost about the new ‘beating heart’ of the campus in Sittard-Geleen.

Artist impression exterior Center Court
(source: Ector Hoogstad Architects)

Ector Hoogstad Architects
Ector Hoogstad Architects is renowned for a number of eye-catching buildings, such as Metaforum at Eindhoven University of Technology and Orion at Wageningen University.

Center Court
The Center Court building is crucial for the future development of Chemelot Campus. This will be the ‘beating heart’ of the campus for the growing campus community and for the many visitors that are expected. It will be a place where people can really convene – instead of ‘just’ having formal meetings. There will be quite extensive conference and catering facilities.
Chemelot Campus strives to become a real community, and in the Center Court this community will prosper.

The building will also have sports facilities for the so-called ‘Chemelot on the Move’ program.

Finally, Center Court will be the landmark of Chemelot Campus. It will be – so to speak - the ‘spark plug’ of the engine, which Chemelot Campus is for the economy of the whole region.

Students and researchers
Center Court will be a place where students and researchers can thrive and connect. Center Court will provide the housing for Chemelot Innovation and Learning Labs (CHILL), the center of expertise for chemistry, in which Leeuwenborgh Opleidingen, Arcus College, Zuyd University, Maastricht University, SABIC, and DSM collaborate. Currently, CHILL is located in an existing building at the campus.

Maastricht University will use the Center Court for offices and laboratories of the Bachelor Maastricht Science Programme and for the new Master and research group Biobased Materials; these activities are currently located in existing buildings on the campus.
The close cooperation with knowledge institutes and companies as well as the proximity of high-end equipment is a major asset for the activities of Maastricht University at Chemelot Campus.

In addition, Center Court will play an important role in innovation for DSM, as a large number of the employees of the DSM Innovation Center will move there.

Artist impression interior Center Court 
(source: Ector Hoogstad Architects)

Financing
Center Court is financed by Chemelot Campus Vastgoed c.v., a collaboration of the Dutch Province of Limburg, DSM Nederland B.V., and Maastricht University. Partially for Center Court the Province has recently decided to add 43.5 million Euro extra to the combination’s equity (see the February 22, 2013 press release).
The building is also possible through a combined grant from the Province of Limburg and the surrounding municipalities of Sittard-Geleen, Stein, Beek, and Schinnen.

It’s again an example of the power of the so-called Triple Helix: collaboration between governments, knowledge and education institutes, and companies.
Center Court involves an investment of approximately 45 million Euro.

Temporary facility
The projected location for Center Court is the current campus restaurant. This means that this place will be demolished. It's not possible to realize the ambitions for Chemelot Campus with this building.

An existing building on the campus will be prepared as a temporary facility, as a place to have lunch and for meetings. This facility will be available as from January 2014. The arrangements in this building will give – as much as possible – a foretaste of the atmosphere in Center Court.

Question (to stick to my metaphor): what will be the most important ‘spark’ that will fly from the Center Court?

This blog post is based on the October7 , 2013 press release, issued by Chemelot Campus B.V.; it’s a repost of my (Dutch) October 21, 2013 blog post. Please let me know if like to read other posts in English.
For more information about Chemelot Innovation and Learning Labs (CHILL) I refer to www.chillabs.nl/en.
For more information about the Maastricht Science Programme go to http://www.maastrichtuniversity.nl/web/Schools/MaastrichtScienceProgramme.htm.
For more information about the DSM Innovation Center see: http://www.dsm.com/corporate/about/innovation-at-dsm.html.

maandag 23 december 2013

Eigen ‘hypocaustum’ is goud waard

Tweeduizend jaar geleden veroverden de Romeinen het tegenwoordige Zuid-Limburg, dat vervolgens ruim vier eeuwen deel uitmaakte van het Romeinse rijk. Tijdens een bezoek aan het Thermenmuseum in Heerlen zag ik hoe het leven van de toenmalige bewoners daardoor ingrijpend veranderde.

Veroverd
De Romeinen veroverden het gebied tussen Maas en Rijn op de Eburonen. Julius Ceasar (100-44 v. Chr.) maakte korte metten met deze Gallische stam, toen die tegen de Romeinen in opstand kwam onder leiding van hun leider Ambiorix (zijn beeld staat in Tongeren).
Aan enkele eeuwen van relatieve rust, de ‘pax romana’, maakten Germaanse stammen in de derde eeuw na Chr. drastisch een einde. Dat ging gepaard met grootschalige plunderingen. Uiteindelijk trokken de Romeinen zich terug en bleef er een ontwrichte samenleving achter.

De verovering door de Romeinen bracht veel veranderingen met zich mee, bijvoorbeeld in de landbouwproductie. De Germaanse bevolking was tot de komst van de Romeinen zelfvoorzienend. Aan de noordelijke grens van het Romeinse rijk, langs de Rijn, werden evenwel Romeinse legioenen gestationeerd, zo’n 20.000 soldaten op minder dan 100 kilometer afstand van Zuid-Limburg. Om al die monden te voeden, moest de lokale bevolking veel meer gaan produceren. Dankzij de vruchtbare lössbodem slaagden de boeren van Zuid-Limburg daar wonderwel in.

Deze ontwikkeling brengt mij op de filosofie van de Engelse filosoof John Locke (1632-1704). In zijn tijd werden de ‘gemene gronden’, de gemeenschappelijke landbouwgronden van de dorpsgemeenschappen, onteigend door de Engelse landadel. Locke voert als rechtvaardiging daarvan aan dat de wolproductie daardoor toenam (enigszins zoals de landbouwproductie in Zuid-Limburg toenam onder de Romeinse overheersing). Het in bezit nemen van land van wie het braak laat liggen is volgens die gedachtegang rechtvaardig. De landadel bewerkte immers het land en had daarom het recht om dat in bezit te nemen. Hans Achterhuis beschrijft deze filosofie in “De utopie van de vrije markt” (2010) als een soort prelude op het hedendaagse neoliberalisme. In de Romeinse tijd was verovering tijdens een oorlog dé manier om aan bezit te komen – in vergelijking daarmee stond de commercie minder in aanzien. Ik kom hier in een latere blogpost wellicht nog op terug.

De vicus (ruraal centrum) Coriovallum (Heerlen) ontstond op het kruispunt van twee hoofdwegen, de Via Belgica (Keulen-Bavay) en de heerweg tussen Trier en de legerplaats Xanten (Aken-Xanten). In het Noord-Franse Bavay vertakte de Via Belgica zich, noordwestelijk naar Boulogne en zuidelijk naar Soissons en Reims. 

Hypocaustum
Zuid-Limburg was een aantrekkelijke regio voor de Romeinen, vanwege de vruchtbare lössbodem, het overvloedig aanwezige water en het voorkomen van allerlei soorten natuursteen.

Dankzij de ‘pax romana’ komt de regio tot bloei. Landbouw en handel floreren, de bevolking groeit en er ontstaan dorpen en steden, met name Heerlen en Maastricht. In Coriovallum vestigden zich opmerkelijk veel pottenbakkers, die gebruikmaakten van de klei die vlakbij te vinden was. Zij produceerden aardewerk voor de hele regio.

De inheemse bevolking neemt typisch Romeinse gebruiken over, wat zich met name uit in de huizenbouw. De Romeinse bouwstijl was compleet anders dan de inheemse stijl die gekenmerkt werd door huizen van vergankelijk materiaal, zoals hout, wilgentenen, leem en riet.
De Romeinen hebben een voorkeur voor onvergankelijke materialen: natuursteen, gebakken klei (dakpannen) en beton, dat door de Romeinen werd uitgevonden. In plaats van boerderijen met één grote binnenruimte beschikten Romeinse huizen over verschillende vertrekken, soms voorzien van decoratieve elementen, zoals fresco’s of mozaïekvloeren (de typisch Romeinse ‘villa’). Dit alles in de beste tradities van de Romeinse architect Vitruvius (ca. 85-20 v. Chr.).

In Coriovallum ontstond een badhuis, de thermen. Het Thermenmuseum is als een conserverende stolp over de restanten daarvan heen gebouwd. Dit badhuis van 50 bij 50 meter, dat ook een ontmoetingsplek was voor de plaatselijke bevolking, werd uitgerust met een ingenieus systeem voor vloer- en wandverwarming.



Dit is het hypocaustum-systeem (zie afbeelding). Een verwarmd vertrek heeft twee vloeren. De onderste bestaat uit grote tegels met daarop stapels kleinere tegels. Daarop worden grote tegels gelegd. Zo ontstaat een tweede, zwevende vloer, die met een laag beton wordt afgewerkt. In de muur worden holle pijpen van gebakken klei gemetseld, met daarin gaten. Zo ontstaan kanalen waar warme lucht door stroomt. Het enige dat nog nodig was voor warme voeten (en badwater) was een goed houtskoolvuur.

Verandering van spijs doet eten
De veranderingen blijven niet beperkt tot de huizenbouw. Ze hebben ook betrekking op religie, rituelen rond de dood, de kleding en het eten.

Zo kwamen bij de Germanen vooral peulvruchten, granen, kool en knolgewassen op tafel; rundvlees was populair en wat graan betreft ging de voorkeur uit naar gerst en gierst.
De Romeinen introduceerden walnoten, tamme kastanjes, pruimen, eieren, kippenvlees en een heel assortiment kruiden, zoals dille en koriander. Andere etenswaren werden geïmporteerd, zoals olijven, wijn en vijgen. De Romeinen waren dol op varkensvlees en wat granen aangaat hadden ze liever spelt. 

Recept voor flamingo
Ik sluit af – waarschijnlijk net te laat met het oog op Kerst – met een recept uit een Romeins kookboek, dat werd geschreven voor Apicius (wat zoiets betekent als ‘luxe lekkerbek’):

Pluk en was de flamingo, bind hem op en leg hem daarna in een ketel. Doe er water, dille en azijn bij. Zodra de flamingo halfgaar is, komt er prei en koriander bij. Doe in een wrijfschaal peper, komijn, koriander, laserwortel, munt en wijnruit. Goed mengen. Voeg azijn en een dadel toe, samen met de flamingobouillon. Giet het kruidenmengsel over de flamingo in de ketel en dien op.
Op dezelfde manier kook je een papagaai. 

Vraag: wie weet een goede poelier? 

De website van het Thermenmuseum in Heerlen: www.thermenmuseum.nl.

maandag 16 december 2013

Spring maar

Vier keer in mijn leven kreeg ik een ongeluk. De tweede keer bracht mij dat de liefde voor atlassen bij.
ONGEVAL 2 (val van landbouwwagen)

De toedracht
Ik was vier jaar en ik speelde met buurtkinderen bij de plaatselijke smid – die had je nog in die tijd. We klauterden over allerhande landbouwwerktuigen. Ik wilde van een grote wagen springen en een meisje, hooguit een jaar ouder dan ik, zou me wel even opvangen. Zij maakte dappere vangbewegingen, maar ik pletterde pardoes op de dissel van die wagen.

De schade
Krijsend van schrik, boosheid (op die trut) en de pijn werd ik naar het ziekenhuis in Assen gebracht. Hier werd mijn been keurig in het gips gezet, want ik had mijn linker scheenbeen gebroken.
Latijnse benaming: tibia (botbreuk 2).

Het herstel
Zes weken lang moest ik binnen zitten. Een timmerman, met wie mijn ouders bevriend waren, maakte voor mij uit blank vurenhout een bureautje-op-maat, waaraan ik kon lezen, knutselen en puzzelen.

Na de gestelde tijd ging ik naar het ziekenhuis om het gips te laten verwijderen. Ik schrok mij wezenloos van de enorme schaar waarmee dat moest gaan gebeuren. Ik krijste even hard als toen ik vlak na mijn ongeluk het ziekenhuis werd binnengebracht. Maar de arts drong aan en ik werd van het gips ontdaan.

Voordat het zover was, moest ik met mijn moeder in de wachtkamer op mijn beurt wachten. Ik keek om mij heen en zag een oudere meneer zitten. Daarop schalde mijn schrille kinderstem door de doodstille ruimte: "Kijk mam, wat heeft die man 'n dikke kop!"

De nasleep
Ik ontwikkelde tijdens het herstel een ongelooflijke vaardigheid in het leggen van puzzels. Eentje daarvan was een topografische kaart van Drenthe. Toen is ongetwijfeld de kiem gelegd voor mijn latere liefde voor atlassen, zie mijn blog van 27 mei 2013.

Ik kan me niet herinneren dat ik dat meisje ooit heb teruggezien.

“Je mag nog van geluk spreken, want...”
...Want ik was nog jong en herstelde snel.

Vraag: welke ongelukken kun jij je nog van je kinderjaren herinneren?

Lees mijn blog van 16 september 2013 voor de herinneringen bij mijn eerste botbreuk.
Lees volgende blogs over mijn latere ongevallen.

maandag 9 december 2013

Vriend van de plant

‘Ami’ is Frans voor vriend en ‘BM’ is de afkorting van biobased materialen. AMIBM – vriend van de plant – is daarom een passend acroniem voor het Aachen-Maastricht Institute for Biobased Materials (AMIBM). Dit instituut ging onlangs op Chemelot Campus aan de slag.



AMIBM is een initiatief van Universiteit Maastricht (UM) en RWTH Aachen (onder meer via het Institut für Textiltechnik, ITA). Deze universiteiten hebben er drie hoogleraren aangesteld: Rainer Fischer (Molecular Biotechnology), Stefan Jockenhövel (Tissue Engineering & Textile Implants) en Sanjay Rastogi (Polymer Physics).

AMIBM doet onderzoek naar de teelt, winning, veredeling en toepassing van hoogwaardige grondstoffen uit de natuur: uit planten of bacteriën worden materialen gewonnen, verwerkt en opgewaardeerd tot biomaterialen met nieuwe of verbeterde eigenschappen voor medische en technische toepassingen.

Eigen benadering
Doorgaans vormt plantaardig restmateriaal de grondstof voor de (chemische) conversie naar biobased bouwstenen. Uit deze bouwstenen worden vervolgens kunststoffen (van monomeren naar polymeren) of brandstoffen vervaardigd.
De eigen benadering van AMIBM zit in de wijze waarop die biobased bouwstenen worden gewonnen. Als het aan AMIBM ligt, worden die namelijk niet (chemisch) geconverteerd, maar gemaakt door de plant zelf! Kortom, in vivo-productie met behulp van energie die door fotosynthese wordt geleverd.
Het is zelfs mogelijk niet alleen monomeren, maar ook polymeren te produceren door het veredelen van planten of bacteriën. Hierbij doet AMIBM een beroep op de expertise van het gerenommeerde Fraunhofer Institute for Molecular Biology and Applied Ecology (IME).

AMIBM heeft nog wel wat problemen op te lossen. Zo zijn er al bacteriën die biopolymeren, met name zgn. polyhydroxyalkanoaten (PHA’s) produceren; goedkoop te maken én biologisch afbreekbaar. Maar: het is lastig om het kristallisatieproces te controleren, met als eindresultaat polymeren van slechte kwaliteit, die moeilijk zijn te verwerken. AMIBM staat voor de opgave om biobased hulpstoffen te ontwikkelen die dat kristallisatieproces te verbeteren, waardoor die PHA’s gemakkelijker zijn te verwerken en voor bredere toepassingen beschikbaar komen.


AMIBM-projecten
Veelbelovende projecten van AMIBM zijn:
  • De verbetering van de kwaliteit en de oogst van paardenbloemen, zodat daaruit op commerciële schaal rubber van hoge kwaliteit kan worden gewonnen. De eerste autobanden uit paardenbloemen zijn er al! (tweet dit)
  • De veredeling van aardappelen, zodat ze zetmeel produceren met hoge gehalten aan amylose, amylopectine en fosfaten.
  • De veredeling van planten, zodat ze hoogwaardige producten, zoals farmaceutische proteïnen, industriële enzymen, brandstoffen of kleine chemische bouwstenen produceren.
  • De ontwikkeling van systemen voor verticale landbouw, waarmee landbouw veel efficiënter wordt in verhouding tot het grondgebruik. Denk daarbij aan de overdekte teelt van planten zonder gebruik van teeltaarde in verschillende verdiepingen.
  • De productie van de biobased brandstof hexanol uit cellulose in restproducten van de reguliere landbouw (zoals stro) door middel van anaerobe fermentatie. Voor die fermentatie moeten micro-organismen worden veredeld.
  • De productie van vliegtuigbrandstof uit afgassen van de industrie, die kooldioxide, koolmonoxide en waterstof bevatten, eveneens door middel van anaerobe fermentatie.
Biomaterialen zijn geschikt voor technische toepassingen, zoals transportmiddelen (denk aan dashboards, transportbanden, airbags en interieurs), gebouwen (bv. gevelpanelen en tapijten) en energie (bv. isolatie). Daarnaast zijn er legio medische toepassingen, zoals voor tissue engineering, medisch textiel, hygiëne en gezondheidsmonitoring.
Overigens is niet alleen de paardenbloem een geschikte bron van biomaterialen, er wordt ook gekeken naar tabak en hennep.

Unieke onderzoeksapparatuur
AMIBM bouwt een installatie die biopolymeren tot vezels kan ‘verspinnen’. Daartoe worden polymeren in oplossing gebracht en niet zoals gebruikelijk gesmolten. De hoge temperaturen die met smelten gepaard gaan zijn namelijk schadelijk voor biopolymeren. De machine kan ook vezels uit twee componenten maken (coëxtrusie), waarmee in één vezel de eigenschappen van twee materialen worden gecombineerd. De installatie kan de geproduceerde vezels desgewenst voorzien van een coating die weer nieuwe eigenschappen kan toevoegen. De vezels worden onder ‘GMP condities’ (General Medical Practice) gesponnen, zodat ze geschikt zijn voor klinische toepassingen, zoals implantaten.

Kennis-As Limburg
AMIBM is een project in de Kennis-As Limburg, waar landbouw, chemie & materialen en medische toepassingen ´omheen draaien´ (zie mijn blog van 6 mei 2013). De onderzoekinfrastructuur en de samenwerking met het bedrijfsleven – oftewel de combinatie van wetenschappelijke en commerciële oriëntatie – bindt afgestudeerden aan de regio en zorgt voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven.

De biobased producten en processen die AMIBM ontwikkelt zullen hun toepassing vinden in de medische, technische en consumentensector en zijn daarmee van grote maatschappelijke waarde.

Tenslotte draagt AMIBM bij aan de regionale werkgelegenheid: het is de ambitie om in 2021 66 arbeidsplaatsen voor kenniswerkers te bieden.

Vraag: wat zijn jouw verwachtingen van de ‘biobased economy’?

Volg AMIBM verder via www.amibm.org.

maandag 2 december 2013

Je moet anders gaan leven!

Een fitnesscentrum gaf recentelijk een krantje uit met de titel: "Het beste uit jezelf halen." Anders gezegd: wie iets van zijn leven wil maken, moet oefenen. En niet alleen om lichamelijk fit te blijven.

Je moet je leven veranderen
In 2009 verscheen "Du muβt dein Leben ändern: Über Anthropotechnik" van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk (“Je moet je leven veranderen: over antropotechniek”). De titel is afkomstig uit een gedicht van Rainer Maria Rilke met de slotregel: "Du muβt dein Leben ändern" (zie hieronder).

Het boek gaat over de mens in training, de mens voor wie het verschil tussen volkomen en onvolkomen niet om het even is, die toont dat hij gemotiveerd is tot nieuwe inspanningen en die daarbij zijn aanhankelijkheid aan een comfortabele manier van leven opgeeft.

De oefenende mens voert naar een expeditie in de wereld van verticale spanningen, waarbij het opklimmen op de jakobsladder van de volkomenheid wordt gekenmerkt door woorden als heiligheid, voornaamheid, dapperheid, macht, excellentie, overvloed, kennis en verlichting. Om dit te bereiken zijn verschillende oefeningen mogelijk: yoga, atletiek, filosofie, muziek en daden van zelfvermaning, zelfbeproeving en zelfevaluatie.

Oefenen vergt ascese. Klassieke voorbeelden van ascese zijn vasten, zware lichamelijke oefeningen en seksuele onthouding. Topsport vergt een specifieke vorm van ascese. Het is opmerkelijk dat na 1900 de atleet opdook in de vorm van een alomvattende sportcultuur, met name in de moderne Olympische Spelen. Voor oprichter De Coubertin vormden die spelen een nieuwe religie: sport splitst de realiteit in gewone en buitengewone situaties. Al oefenend bereiden atleten – de nieuwe clerus – ‘buitengewone situaties’ voor. Het publiek kan – vanuit zijn ‘gewone situatie’ – slecht bewonderend opkijken. Zo schreef columnist Wilfried de Jong in NRC Handelsblad over Epke Zonderland, die op 6 oktober 2013 wereldkampioen werd: “Tijdens zijn oefening aan de rekstok is [hij] onbereikbaar. Epke vliegt in een wolk magnesium, suist vrij door de lucht en wij, dagelijks op de aarde gehouden door de zwaartekracht, zijn hem bijna uit het oog verloren.

Oefening brengt het onmogelijke in beeld. Kafka trekt het oefenen door tot in het absurde met verhalen als “Een verslag voor een academie” en “Een hongerkunstenaar”.

Cultuur
Toch moet ook de ‘gewone man’ zijn leven veranderen, simpelweg om te kunnen overleven. Uitsterven is immers het meest waarschijnlijke resultaat van de evolutie, overleven is onwaarschijnlijk. Daarom moet het bestaan van de mensen van morgen geheel op oefening zijn gebaseerd – en dat gebeurt in een cultureel bepaalde omgeving.

Cultuur is als een basiskamp met een trainer (bijvoorbeeld een goeroe, apostel, filosoof, vakman of professor) en een set voorschriften (ordeningsregels). Je moet je leven veranderen om een goede levensvorm te vinden. Hierbij geldt de ethische norm dat je je om je fouten bekommert en deze, als je je er eenmaal bewust van bent, naar beste weten corrigeert.

Mensen die oefenen wordt een 'zegepraal' in het vooruitzicht gesteld, een nastrevenswaardig doel. Dit doel wordt niet van ene op de andere dag (revolutionair) bereikt. Zo heeft het streven naar perfectie zich slechts gaandeweg van monniken (kloosters) uitgebreid naar de hele kerk en – via de Verlichting – naar de hele mensheid. Van eenlingen naar eenieder.

Daarbij staat de cultuur – het dressuur-systeem voor het overdragen van regionaal levensbelangrijke cognitieve en morele kenmerken op volgende generaties – er garant voor dat variatie slechts in beperkt mate wordt geaccepteerd. In een cultuur wordt eerst het onwaarschijnlijke in het waarschijnlijke omgezet, het onherhaalbare in het herhaalbare en uitzonderlijke inspanningen in conventies, zodat ze school kunnen maken en tot cultuurverschijnsel worden.

De eerste trainers zijn de uitzonderingsmensen (bijvoorbeeld stichters van religies), zelden is sprake van revolutie, meestal slechts van een verandering van gezindheid (‘metanoia’). Of in de terminologie van Sloterdijk: doorgaans een trainerswisseling, zelden een ander oefensysteem.

De moderne mens
De moderne mens leeft niet simpelweg, maar heeft een leven te leiden. Hij wordt allerwegen opgeroepen om uit zijn eigen ik een project en uit dat project een onderneming te maken. Hij staat voor de opgave om het script van zijn eigen bestaan in een uitvoering, een soort show op het podium om te zetten en daarbij te aanschouwen hoe anderen hem aanschouwen. De moderne mens is de virtuoos, de succeskunstenaar, de ondernemer (de "ik-BV”), in feite elk mens met verreikende voornemens.

De moderne mens heeft het oefenende leven een plaats gegeven in de moderne trainings-, onderwijs- en arbeidsmaatschappij. Het sleutelbegrip is 'enhancement', wat zich uit in praktijken als plastische chirurgie, fitness-management, wellness-service en systematische doping. Daarbij wordt gebruik gemaakt van antropotechnieken: het beheersen van apparaten wat in discrete, expliciete en gecontroleerde stappen het gewenste resultaat moet opleveren. Als voorbeeld de school: de moralistische destilleerkolf van de moderne samenleving, oftewel een systeem voor mensenverbetering. Naast het schoolsysteem zijn er hulpmiddelen voor de mens die het leven op deelgebieden veranderen (antropotechnische werking), meestal dingen, zoals de bril, het papier, de reclame en het bankkrediet. Eerst als innovaties die op beperkte schaal worden begroet, daarna breed ingezet en soms misbruikt.

Wereldwijde catastrofe
Alles wat we tegenwoordig zien, horen en lezen heeft als boodschap: "je moet je leven veranderen,” want het is immers duidelijk dat het zo niet door kan gaan. De enige autoriteit die nu zoiets mag zeggen is ‘de globale crisis’. Zij beroept zich op iets onvoorstelbaars: de wereldwijde catastrofe. De Grote Catastrofe is de godin van deze eeuw. Zij blijft verhuld, maar geeft zich al in tekenen te kennen. De vermaning luidt: verander je leven. Anders zal vroeg of laat de volledige onthulling jullie tonen wat jullie gedurende de tijd van de voortekenen verzuimd hebben.

De acteurs op het politieke toneel lijken de tekenen der tijd niet te verstaan: partijen en volkeren beconcurreren elkaar. Maar nu de problemen wereldomvattend zijn, valt het onderscheid tussen vriend en vijand weg. Een cultuur van welbegrepen eigenbelang is noodzakelijk. De ordeningsregels van die cultuur coderen de antropotechnieken met als einddoel: in dagelijkse oefeningen de gewoonten van het gezamenlijk overleven aan te nemen.

Vraag: welke ‘oefeningen’ zijn volgens jou nodig om aan de 'wereldwijde catastrofe' te ontkomen?

Rainer Maria Rilke: “Archaischer Torso Apollos” (1908)

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht. Du muβt dein Leben ändern. (tweet dit)

Het verhaal “Ein Bericht für eine Akademie” (1917) is online te vinden (zoek op ‘akademie’ om naar het begin van het verhaal te gaan). Ook het verhaal “Ein Hungerkünstler” (1923) is online beschikbaar.

maandag 25 november 2013

Ficus

Op mijn kantoor staat een ficus, die mij leerde om naar mijn lichaam te luisteren.
Ik geef die les graag door.



Sinds kort staat op mijn kantoor een ficus, een jong plantje, geënt op een onderstammetje, in een pot ‘op-de-groei’ – een bonsai-lookalike. De plant is in de vensterbank gezet zonder dat mij ernaar gevraagd is. Maar ik deel mijn kamer met een collega en bovendien schijnt een plant goed te zijn voor de atmosfeer in de ruimte, dus: ”Laat gaan!
Temeer, omdat ik er qua verzorging geen omkijken naar heb. Ik vind het een beetje decadent, maar mijn – eigenlijk moet ik zeggen: onze plant wordt verzorgd door een speciale indoor-hovenier, ingehuurd door mijn werkgever. Op gezette tijden komt hij langs met een gieter en een snoeischaar.

Naar je lichaam luisteren!
Enkele weken geleden, de wintertijd was allang begonnen, kwam onze tuinman weer langs met de gieter. Ik vroeg hem, eerder om een gesprekje aan te knopen dan uit werkelijke belangstelling: “Hoe ver groeit die plant nog door?”
- De komende weken gaat het alleen maar minder met die plant. Dat is de tijd van het jaar. Dan komt-ie tot rust. Pas in het voorjaar bot-ie weer uit.
En hij vervolgde: “Bij de plant is het niet anders dan bij mens en dier. Die moeten ’s winters ook rustig aan doen. Of althans: dat zouden ze moeten doen. Want wie dat niet doet, luistert niet goed naar zijn lichaam. En dan zie je de gevolgen.”
- Wat zijn dan die gevolgen?
- Nou, burn-out, hè. Mensen zouden beter naar hun lichaam moeten luisteren en vaker rust moeten nemen.
- Ik zal eraan denken, elke keer als ik die plant zie.
En dat is dus gewoonlijk tijdens kantoordagen.

Maar luister je wel?
Ik begrijp die tuinman wel, want ik heb al teveel mensen een burn-out zien krijgen. Volgens mij zijn er twee manieren om rust te nemen: geestelijk en lichamelijk. Soms hebben lichaam en geest beide tegelijk rust nodig. Maar ik ervaar dat geestelijke inspanning prima is te combineren met lichamelijke rust en omgekeerd, dat beide in de juiste mate moeten worden afgewisseld. Het probleem zit voor velen in dat ‘in juiste mate’, het vinden van de balans tussen inspanning en rust.

Naar buiten
Ik vraag me af in hoeverre dat rust nemen aan een jaargetijde gebonden is. Als beoefenaar van een buitensport (wielrennen) stel ik wél vast, dat je door koud en slecht weer ’s winters minder aan lichamelijke inspanning toekomt dan ’s zomers. En dat je de neiging hebt om het ’s winters maar wat rustiger aan te doen. En dat je moet oppassen dat er tijdens die donkere dagen niet teveel kilootjes bijkomen. Dat alles bevordert de lichamelijke conditie niet echt. Wat me doet denken aan het lied “Built For Comfort” (1959) van Willie Dixon (1915-1992) en bekendgemaakt door Chester ‘Howlin’ Wolf’ Burnett (1910-1976).

Toch dwing ik mezelf om aan het huiselijk comfort niet al teveel toe te geven en ook hartje winter naar buiten te gaan. Voor lichamelijke inspanning, zodat ik er vervolgens ook geestelijk weer tegen kan.
Ik hoop dat ik zo de les van de ficus opvolg.

Dit keer geen vraag, maar een oproep: luister naar je lichaam en vind de juiste balans tussen inspanning en rust, zowel geestelijk als lichamelijk!
Maar reageren mag natuurlijk via het invulveld hieronder (nadat je de voetnoot hebt gelezen).

Nu we het toch over de tuinman hebben, hieronder een gedicht waaruit blijkt dat het niet altijd volstaat om goed naar je lichaam te luisteren.

De tuinman en de dood (1926)

Een Perzisch Edelman:

Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: "Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!" –

Vanmiddag – lang reeds was hij heengespoed –
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

"Waarom," zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
"Hebt gij vanmorgen vroeg mijn knecht gedreigd?"

Glimlachend antwoordt hij: "Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."

Pieter Nicolaas van Eyck (1887-1954)

maandag 18 november 2013

Mien waar is mijn A:-schijf

Toon Hermans zong in 1968: “Mien waar is mijn feestneus” Heb jij haar al eens gevraagd: “Mien waar is mijn A:-schijf” Ik zal je – namens haar – het antwoord geven.


Mijn eerste computerTijdens mijn hbo-opleiding aan de Rijks Hogere Landbouwschool in Groningen maakte ik voor het eerst kennis met de computer; dat moet omstreeks 1980 zijn geweest. De school beschikte namelijk over een terminalaansluiting op een DEC VAX 1/1. DEC staat voor Digital Equipment Corporation, in die tijd een vooraanstaande computerfabriek, die in 1988 via een overname door Compaq in Hewlett-Packard is opgegaan.

Die DEC was de mainframe-computer van de Universiteit Wageningen. Een mainframe is een computer van grote afmetingen, met een rekenkracht die toen fenomenaal was, maar die tegenwoordig zo ongeveer op een USB-stick past.
Een terminal is een beeldscherm plus toetsenbord, waarmee die computer op afstand werd aangestuurd. Voor het goede begrip: alleen díe computer en niet ook andere computers, zoals tegenwoordig via internet gebruikelijk is.

BASIC
Wij gebruikten die terminal voor twee dingen. Allereerst om zelf te programmeren in BASIC. We moesten daarvoor die programmeertaal met behulp van de terminal omzetten in een ponsband. Dit is een strook papier met gaatjes, ongeveer zoals je tegenwoordig ziet bij oude draaiorgels (zie afbeelding). Die ponsband werd vervolgens op diezelfde terminal ingelezen. Dat moest voorzichtig gebeuren, want zo’n ponsbandje kon afscheuren. Daarna volgde de verwerking in Wageningen.
Wat wij terugkregen waren meestal grafieken, opgebouwd uit basale leestekens, die door een printer op breed papier werden afgedrukt. Die grafieken verdienden – zeker als ik er nu aan terugdenk –maar één kwalificatie: houterig. Maar wij, studenten, waren toen allang blij als er überhaupt een grafiek tevoorschijn kwam.
Ik heb na mijn opleiding nooit meer in BASIC geprogrammeerd.

SPSS
De tweede toepassing was voor statistische analyses met het programma SPSS, Statistical Package for the Social Sciences. Onze Informatica-leraar De Vries was daar zeer enthousiast over. Als hij naar een onbewoond eiland moest gaan met slechts één boek, dan was dat, zo beweerde hij, met de SPSS-manual. Mijn klasgenoten hadden allen andere boektitels in gedachten.
Naderhand heb ik vaker dan eens dankbaar van SPSS gebruik gemaakt.

PC
In 1983 ging ik aan de slag met een van de eerste personal computers. Een ware revolutie in automatisering, want de gebruiker was niet langer gebonden aan zo’n groot,duur mainframe. In plaats daarvan had ik een vrijstaande computer, die simpelweg op een bureau geplaatst kon worden.
Dé fabrikant was toen IBM, maar de meesten kochten een zgn. IBM-kloon, want die waren goedkoper; in mijn geval een Commodore.

A:- en B:-schijven
Zo’n personal computer was voorzien van twee diskettestations, de A:-schijf en de B:-schijf. Het formaat van zo’n diskette – ook floppy(disk) genoemd – was toen 5 3/4 inch en de opslagcapaciteit maar liefst 360 kilobyte.
Op de diskette in het A:-station stond het programma, bijvoorbeeld het tekstverwerkingsprogramma Microsoft Word (zie mijn blog van 29 juli 2013, ook voor een afbeelding van zo’n floppy). De bestanden die je daarmee maakte, werden weggeschreven op een diskette in het B:-station.
Met zo’n pc kon je in eerste instantie redelijk uit de voeten, vooral omdat het gebruik van digitale afbeeldingen toen totaal nog niet aan de orde was.

Pas enkele jaren later werd de pc voorzien van een harde schijf, in het begin met een capaciteit van 10 megabyte. Dat werd toen de C:-schijf en die is tot op de dag van heden nog op pc’s terug te vinden, zij het met veel meer opslagcapaciteit (200 gigabyte op mijn laptop).

Diskettes, ook de kleinere van 3,5 inch van latere datum, zijn inmiddels geheel van het toneel verdwenen en daarmee verdwenen ook de A:- en B:-schijven van de computer.

De feestneus van Toon Hermans is nog steeds onmisbaar als je naar een "feesie" gaat, maar de A:-schijf dient geen enkel doel meer (evenmin als de B:-schijf).

Vraag: welk (computer)boek neem jij mee naar een onbewoond eiland?

maandag 11 november 2013

Computer kidnapped

The American National Security Agency (NSA) excels in violating everybody’s privacy. But: pay attention to more dangers in the digital domain!

Some time ago, my computer was infected with ransomware that kidnapped my PC. This poisonous software entered my computer through an apparently innocent e-mail, which – in hindsight – I should have deleted right away. The operating system was blocked and after restarting my computer the only thing I got on my screen was the Dutch police logo, again and again. The malware demanded payment to restore the blocked functionality. The instructions read that I had to use virtual digital money, available at a gas station. Very extraordinary!
Fortunately, on another PC I found online instructions for a workaround and I managed to destroy the malware.

National Cyber Security Centre
I found the expression ‘ransomware’ at the National Cyber Security Centre (NCSC). Ransomware is a form of ‘malware’ and, according to this institution, that is the word for virulent software, such as viruses, worms, and Trojan horses, mobile malware included.

The NCSC is a Dutch center of expertise that contributes to the defense of the Dutch society in the digital domain, and, thereby, to a safe, open, and stable information society. The growing dependence on ICT technology certainly increases the vulnerability of our society and economy to disruptions; that´s why digital security is vital.

Developments
Annually, the NCSC publishes the “Cyber Security Assessment Netherlands” (CSBN). This educational trend report describes developments that increase the threats and the impact of cyber-attacks, such as:
  • The increasing use of mobile devices and applications for new functionalities and for storage of (contact) data.
  • The extensive use of social media that offer as many unintended sources of information.
  • The increasing use of cloud services, interesting in terms of flexibility, costs, and convenience, such as online file sharing (WeTransfer, Google Drive, and Dropbox).
  • Big data gets bigger: large data files of large organizations represent much value for bad guys, who can use these data for attacking third parties; think of identity fraud.
  • Citizens more and more turn to online retail channels (online shopping). Remember that efficiency and customer-friendliness can put pressure on privacy.
  • The increasing ICT dependence of the electricity supply, for example the introduction of smart grid and smart meters.
  • Hyper connectivity: more and more equipment is connected online with the Internet, not only computers and phones, but also cars, TV sets, thermostats, scales, and printers.

Threats
Threats mainly come from states (for example the NSA), terrorists, (professional) criminals, cyber vandals, script kiddies, and hacktivists. ‘Script kiddies’ are hackers with limited expertise, who use techniques and tools that were invented and developed by others. ‘Hacktivists’ are persons or groups who carry out ideologically motivated cyber-attacks.

Citizens (in the Netherlands) are almost just as often the victim of ‘hacking’ as they are of bicycle theft. Criminals target bank and identity data of citizens (fraud with Internet banking). Or they try to take over the citizens’ ICT, so it becomes part of a botnet. A ‘botnet’ is a collection of infected computers that can be controlled remote, with evil intentions. Such a botnet is often aimed at the manipulation of (financial) transactions.
Citizens can also be facing attacks against services that are important to them, in particular Distributed Denial of Service (DDoS).

Recently, we’ve seen quite enough examples that show that these kinds of threats are no theory, but everyday reality. Examples are disruptions in basic services like iDeal and DigiD (iDeal is a Dutch online payment system, DigiD is a Dutch system for online authorization of government and other services).

Defense
To improve the defense against cyber-attacks, end user of devices – you and I – have a big responsibility. But that’s difficult when you are facing vulnerabilities in equipment and services, largely out of your control.

Yet, there are some measures you may consider:
  • Install an anti-virus program – I use avast! But remember: this type of software never provides 100% protection, because malware mutates extremely quickly.
  • Weak passwords present a vulnerability. For defining a new password I always use the Strong Password Generator.
    And: please, change your passwords regularly.
  • Take notice of awareness campaigns, such as the Dutch Safe Banking campaign.
  • And finally: keep in mind that by April 8, 2014, Microsoft no longer supports Windows XP. Afterwards, no security updates will be issued.

Question: What are your recommendations regarding cyber security?

Note: I’m not naive to think that the NCSC is more papist than ‘pope NSA’.
(Yet), I refer to www.ncsc.nl/english for more information about the Dutch National Cyber Security Centre. Here you find the “
Cyber Security Assessment Netherlands” (CSBN-2, June 2012; the 2013 update is available only in Dutch).
I recommend also to listen to the TED Talk "
Everyday cybercrime -- and what you can do about it" by James Lyne: http://t.co/mrwLY4k5d9.
You may also watch the more recent TED Talk “How the NSA betrayed the world's trust -- time to act” by Mikko Hypponen: http://t.co/dNHVmHqjC8.

This is a repost of my (Dutch) September 23, 2013 blog post (click the ‘English’ label below to select previous English reposts).

maandag 4 november 2013

Storm

Vorige week maandag trok de zwaarste storm sinds 1990 over Nederland. Geen storm is echter zwaar genoeg om mijn herinneringen aan de storm van 13 november 1972 weg te blazen. Pathologie van een storm.



De storm van 28 oktober 2013
Het KNMI gaf vanwege de aankomende storm voor grote delen van Nederland die ochtend code rood af. Code rood is een officieel weeralarm en houdt in dat er een verkeerschaos kan ontstaan, die volgens de weerman van dienst kan leiden tot “maatschappij-ontwrichtende omstandigheden.” De treinen reden uit voorzorg volgens een aangepaste dienstregeling en KLM annuleerde een aantal vluchten naar Europese bestemmingen.

Inmiddels zaten in Groot-Brittannië 580.000 huishoudens zonder stroom en kwamen er vijf mensen om het leven. Aan de kust van Normandië en Bretagne bereikten de golven een hoogte van 17 meter. In Duitsland, waar de storm de naam Christian kreeg, kwamen drie mensen om.

Boven Vlieland groeide de storm uit tot een orkaan: het stormde er 20 minuten met windkracht 12, de zwaarste storm in Nederland sinds 1990.

In Amsterdam kwam een vrouw om het leven toen ze werd getroffen door een omvallende boom en in Veenendaal overleed een fietser die door een tak werd getroffen. Enkele dagen later overleed in Harderwijk een derde slachtoffer. In het hele land raakten zeker 25 mensen gewond.

Verder reden er geen treinen meer van en naar Amsterdam Centraal en ook elders waren er stremmingen, omdat er omgewaaide bomen of takken op de rails lagen. Het tramverkeer in de hoofdstad werd stilgelegd.
Een veerboot met 1050 passagiers aan boord probeerde tevergeefs om de haven van IJmuiden binnen te varen en voer terug naar open zee om daar de storm af te wachten. Dit was in 25 jaar maar twee of drie keer eerder gebeurd.

In het hele land werden bomen ontworteld. Verschillende scholen werden ontruimd vanwege de dreiging van omvallende bomen. Ook waaiden op veel plaatsen dakpannen van de daken en sneuvelden zonnepanelen. De schade bij particulieren bedroeg zeker 95 miljoen euro

Omstreeks drie uur was de storm voorbij. 

De storm van 13 november 1972
Bij veel mensen, vooral in het noorden van Nederland, staat de storm van 13 november 1972 nog in het geheugen gegrift. Ook bij mij.

Die storm begon rond een uur of drie 's nachts in het westen van het land en breidde zich verder landinwaarts uit. Daarbij nam de wind in het noorden van het land toe tot windkracht 11.

Binnen korte tijd werd een groot deel van de bossen in Overijssel en Drenthe met de grond gelijk gemaakt, meer dan 2500 hectare. Ook de materiële schade aan gebouwen was enorm.

Nog diezelfde ochtend verdween de storm net zo snel als hij kwam.

Ik en mijn twee jongere broers werden die ochtend in alle vroegte door mijn vader gewekt. Mijn ouders waren ongerust en wilden ons dichtbij zich hebben. Wij woonden in een oude boerderij, waarachter verschillende gebouwen stonden: een opslagloods, een werktuigenstalling, enkele stallen. Het was eigenlijk nogal een ratjetoe, maar voor mij – ik was toen bijna 13 – een waar speelparadijs.
Toen de storm voorbij was, waren een aantal van die gebouwen volledig verwoest. Ik zie nog het golfplatendak van een die schuurtjes voor me; die was bij ons in het gazon beland, vlak voor onze woonkamer.

Ik herinner mij die storm als een angstwekkend voorval. Voor het boerenbedrijf van mijn vader was het natuurgeweld van die morgen achteraf bezien een zegen, want het gaf de (wind)stoot tot een ingrijpende modernisering van de gebouwen –bepaald geen luxe. 

Vraag: welk natuurgeweld staat in jouw geheugen gegrift?

Voor een volledig meteorologisch verslag van de storm van 13 november 1972 verwijs ik naar http://archief.weer.nl/?menu=view&cat=herfst&item=novemberstorm04112004.wn.

zaterdag 19 oktober 2013

Center Court

Voor het realiseren van het Center Court op Chemelot Campus is gekozen voor Ector Hoogstad Architecten. Lees mijn blog over het nieuwe ‘kloppend hart’ van de campus in Sittard-Geleen.

 Artist impression exterieur Center Court 
(bron: Ector Hoogstad Architecten)

Ector Hoogstad Architecten
Ector Hoogstad Architecten is bekend van een aantal opmerkelijke gebouwen, zoals Metaforum van Technische Universiteit Eindhoven en Orion van Universiteit Wageningen. De architect werd geselecteerd na een formele aanbestedingsprocedure.

Center Court
Het Center Court is cruciaal voor de toekomstige ontwikkelingen van Chemelot Campus. Dit wordt het ‘kloppend hart’ van de campus voor de groeiende campuscommunity en de vele bezoekers die er worden verwacht. Het wordt een plaats waar men elkaar werkelijk kan ontmoeten – in plaats van er ‘alleen maar’ formele bijeenkomsten te houden. Er komen uitgebreide conferentiemogelijkheden en faciliteiten op het gebied van eten en drinken.
Hier ontstaat de community die Chemelot Campus wil worden.

Het gebouw zal ook beschikken over faciliteiten om in groepen sportief te bewegen in het kader van het zgn. ‘Chemelot on the Move’-programma.

Tenslotte wordt Center Court de ‘landmark’ van Chemelot Campus. Het wordt – om zo te zeggen – de ‘bougie’ in de motor die Chemelot Campus is voor de economie van de hele regio (tweet dit). Lees mijn blog van 6 mei 2013 voor een andere metafoor van Chemelot Campus.

Studenten en onderzoekers
Center Court  wordt de plaats waar studenten en onderzoekers volop aan hun trekken komen, waar ze elkaar kunnen ontmoeten. Zo wordt Center Court de huisvesting voor Chemelot Innovation and Learning Labs (CHILL), het expertisecentrum chemie, waarin Leeuwenborgh Opleidingen, Arcus College, Zuyd Hogeschool, Universiteit Maastricht, SABIC en DSM samenwerken. CHILL is momenteel gevestigd in een bestaand gebouw op de campus.

Universiteit Maastricht zal Center Court gebruiken voor kantoren en laboratoria van het bachelor Maastricht Science Programme en voor de nieuwe master en onderzoeksgroep Biobased Materials. Deze activiteiten zijn momenteel gevestigd in bestaande gebouwen op de campus.
De nauwe samenwerking met kennisinstituten en bedrijven, alsmede de nabijheid van geavanceerde apparatuur vormen belangrijke argumenten voor de aanwezigheid van Universiteit Maastricht op Chemelot Campus.

Verder zal Center Court een belangrijke rol gaan spelen bij de innovaties van DSM, aangezien een groot aantal medewerkers van het DSM Innovation Center daar naartoe zullen verhuizen.


Artist impression interieur Center Court 
(bron: Ector Hoogstad Architecten)

Financiering
Center Court wordt gefinancierd door Chemelot Campus Vastgoed c.v., een samenwerkingsverband van de provincie Limburg, DSM Nederland B.V. en Universiteit Maastricht. Deels voor Center Court heeft de provincie eerder dit jaar besloten het eigen vermogen van deze combinatie met 43,5 miljoen euro extra te versterken (zie het persbericht van 22 februari 2013).
Het gebouw is ook mogelijk door een gecombineerde subsidie van de provincie Limburg en de omliggende gemeenten Sittard-Geleen, Stein, Beek en Schinnen.

Dit is opnieuw een voorbeeld van de kracht van de Triple Helix: samenwerking tussen overheden, kennis- en onderwijsinstellingen en bedrijven.
Center Court vergt een investering van circa 45 miljoen euro (lees mijn blogs van 17 juni 2013 en 24 juni 2013 voor enkele gedachten over het belang van een dergelijke investering).

Tijdelijke voorziening
De beoogde locatie voor Center Court is het bestaande campusrestaurant, wat betekent dat dit gebouw gesloopt wordt. Met dit gebouw is het niet mogelijk om de ambities voor Chemelot Campus te verwezenlijken.

Een bestaand gebouw op de campus wordt ingericht als tijdelijke voorziening, als plaats om te lunchen en voor bijeenkomsten. Deze voorziening is vanaf januari 2014 beschikbaar. De inrichting ervan geeft zoveel mogelijk een voorproefje van de sfeer in Center Court.
  
Vraag (om bij mijn metafoor te blijven): wat is de belangrijkste ‘vonk’ die vanuit het Center Court zal overspringen?

Deze blogpost is gebaseerd op een persbericht van 7 oktober 2013 van Chemelot Campus B.V.
Voor meer informatie over Chemelot Innovation and Learning Labs (CHILL) verwijs ik naar www.chillabs.nl.
Voor meer informatie over het Maastricht Science Programme ga naar http://www.maastrichtuniversity.nl/web/Schools/MaastrichtScienceProgramme.htm.
Voor meer informatie over het DSM Innovation Center zie: http://www.dsm.com/countrysites/dsmnl/nl_NL/over-dsm/innovatie/dsm-innovation-center.html.

Waarom je trouw blijft aan grote leiders

Er is een goede kans dat er een of meer personen zijn die een inspiratiebron voor je zijn. Het zijn vast grote leiders binnen een beweging, een land of een industrie. Zij hebben iets over zich dat ons beweegt om hun ideeën en producten tot onderdeel van ons leven te maken. Wat maakt hen zo inspirerend?



In 2009 verscheen “Start With Why: How Great Leaders Inspire Everyone To Take Action” door Simon Sinek (“Begin met het waarom: De gouden cirkel van ondernemen”). Dit boek maakt duidelijk wat de verschillen zijn tussen drie kernvragen: WAAROM?HOE?WAT?

Deze kernvragen kunnen worden gesteld bij het handelen van politici en ondernemers en bij het functioneren van organisaties en bedrijven. En er zit een rangorde in.

Volgens Sinek nemen politici en ondernemers die de WAAROM-vraag niet goed weten te beantwoorden hun toevlucht tot manipulatie. Bedrijven steken bijvoorbeeld veel energie in prijsverlagingen en promoties, in boodschappen die inspelen op angst of goede voornemens en in nieuwigheden (meestal ten onrechte innovaties genoemd). Manipulaties leveren resultaten op de korte termijn, maar zijn op de langere termijn voor die bedrijven niet vol te houden.

Leiders weten mensen te inspireren, wat tot trouwe kiezers en klanten leidt. Grote, charismatische leiders beginnen met de WAAROM-vraag. Vragen als: wat is je doel, waar ga je voor, wat geloof je? Dit zijn de vragen die verbonden zijn aan leiderschap, vragen over de filosofie achter het handelen. In organisaties beantwoordt de directeur – de visionair – deze vragen.

Vervolgens komt de HOE-vraag aan de orde: hoe kan iets beter of anders. Het betreft de acties die nodig zijn om het geloof (het WAAROM) te realiseren. Dit zijn de vragen over organisatie en infrastructuur – over de route – die in organisaties verbonden zijn aan afdelingshoofden.

Tenslotte kunnen we niet voorbijgaan aan de WAT-vraag: wat doe je? Dit zijn de vragen die in organisaties verbonden zijn aan de werkvloer – de uitvoering en de resultaten. Het WAT vormt de uitdrukking ofwel het bewijs van waar een organisatie in gelooft.

De meeste mensen kunnen goed vertellen wat ze doen, soms hoe ze het doen, maar zelden waarom ze iets doen. Leiders of leidende bedrijven geven duidelijk aan waarom ze iets doen. Volgens Sinek kopen mensen niet om WAT je doet, maar kopen ze om WAAROM je het doet. In plaats van te vragen "WAT moeten we doen om te concurreren?" moet je vragen "WAAROM zijn we ook alweer gaan doen wat we doen?"
En wat de werknemers betreft: gemiddelde bedrijven geven hun mensen iets om aan te werken, de meest innovatieve organisaties geven hun mensen iets om voor te werken (tweet dit).

Diffusie van innovatie
Sinek verbindt zijn ideeën aan de innovatietheorie van Everett Rogers (“Diffusion of Innovations”, 1962). Everett onderscheidt vijf groepen naar de snelheid van het accepteren van een nieuw product of idee: innovatoren (2,5%), pioniers (13,5%), voorloper (34%), achterlopers (34%) en achterblijvers (16%). Succes op de massamarkt (dus onder de voor- en achterlopers, totaal 68%) kan alleen worden gerealiseerd als 15-18% van de markt (dwz. de innovatoren en de pioniers) bereikt is.

Deze groep (die 15-18%) deelt waar jij voor staat en wil jouw ideeën, jouw producten en jouw diensten tot onderdeel maken hun levens. Het zijn trouwe klanten, die bereid zijn om een meerprijs te betalen en om ongemak te aanvaarden om jouw product of dienst (als eersten) te gebruiken.
Leg dus eerst uit WAAROM een product of dienst is ontwikkeld (dus de waarden en waar je voor staat) en pas daarna WAT het is of doet (dwz. de eigenschappen en voordelen).
Deze groep zal het product of dienst bij anderen aanbevelen. En daarmee komen de volgende fasen in de verspreiding in beeld.

Voorbeelden
Sinek noemt voorbeelden van grote, charismatische leiders. De meest aansprekende zijn Martin Luther King, Bill Gates en Steve Jobs. Het voorbeeld van Martin Luther King spreekt in deze context denk ik voor zich.

Bill Gates is voortdurend op zoek naar manieren om problemen op te lossen. Daarbij zag hij de computer als de perfecte technologie om ons te helpen om productiever te worden en om onze mogelijkheden volop te benutten. Momenteel lost hij andersoortige problemen op met zijn Bill & Melinda Gates Foundation.

Steve Jobs was iemand die de status quo uitdaagde. Apple representeert de levensstijl die bij die houding past. Kijk maar eens naar de Apple commercial waarmee in 1984 de Macintosh computer werd geïntroduceerd.

Mijn vraag: wat voor persoon ben jij: een WAAROM-, een HOE- of een WAT-type? Bedenk dat de wereld alle drie types nodig heeft.

woensdag 16 oktober 2013

Investeren in de kennis-economie werkt (1/2)

In Limburg wordt de komende jaren fors geïnvesteerd in de kennis-economie. Dit levert werkgelegenheid op die niet beperkt blijft tot kenniswerkers. Lees waarom.



Op 6 mei 2013 schreef ik over het programma “Kennis-As Limburg”, waarmee de Universiteit Maastricht, het Maastricht Universitair Medisch Centrum+ en Zuyd Hogeschool gaan bijdragen aan een florerende economie en een vitale bevolking in Limburg.

Het gaat om forse investeringen in de kennis-economie, die van groot belang zijn, want…:
  • De groei van de werkgelegenheid blijft niet beperkt tot kenniswerkers.
  • Investeringen in de kennis-economie komen de samenleving als geheel ten goede.
  • Die investeringen zijn van blijvende waarde voor Limburg.

Niet alleen meer kenniswerkers
De investeringen in de kennis-economie moeten leiden tot een toename van het aantal kenniswerkers. Zo wordt mede door die investeringen op Chemelot Campus een groei voorzien van 1.200 kenniswerkers nu naar 2.000 in 2020. Dit effect blijft niet beperkt tot kenniswerkers.

In 2011 publiceerde Brainport Development Eindhoven het rapport “Brainport 2020: Top Economy, Smart Society”. Dit document omvat plannen om Zuidoost-Nederland de komende jaren te ontwikkelen tot een innovatieve, duurzame regio. Nu al is dit deel van Nederland goed voor 35% van de Nederlandse export, 45% van de private uitgaven aan research & development en 55% van de patenten.

Het rapport legt uit dat 1 miljoen euro aan loonkosten in R&D leidt tot 8 banen in R&D. Maar daar blijft het niet bij. Tegelijkertijd worden 24 banen in productie gecreëerd, wat weer leidt tot 24 banen bij toeleveranciers en 32 banen in services. Kortom, 1 miljoen euro aan loonkosten in R&D leidt tot 70-100 banen in R&D, productie en service. Anders gezegd: één baan in hightech R&D levert 7-10 banen in de keten. Ter onderbouwing verwijst Brainport Development naar berekeningen van de Boston Consulting Group, een vooraanstaand Amerikaans adviesbureau.

In september 2012 hield de Amerikaanse econoom Timothy Bartik een TED-lezing over de economische betekenis van investeringen in de scholing van kleine kinderen (in een Amerikaanse context). Volgens Bartik betalen die investeringen zich op verschillende fronten uit:
  • Meer en betere banen.
  • Een toename van het gemiddeld inkomen.
  • Meer kennis, betere competenties en vaardigheden van deelnemers aan vroege scholing als ze eenmaal volwassen zijn.
  • Velen van hen blijven in de regio wonen en verhuizen niet naar elders.
  • Meer competenties en vaardigheden leiden tot het ontstaan van nieuwe banen.
  • En verder telt nog mee: minder criminaliteit en de voordelen die het biedt aan hen die wél naar elders verhuizen.

Onderzoek heeft volgens Bartik uitgewezen dat de economische groei van stedelijke gebieden niet zozeer wordt gestimuleerd door lage belastingen of lage lonen, maar door de beschikbare competenties. De maat daarvoor is voor hem het percentage academisch opgeleiden onder de bevolking.

Dat gebieden als Boston, Minneapolis-St. Paul en Silicon Valley het economisch goed doen, komt niet door het lage kostenniveau – deze gebieden zijn juist relatief duur. Deze gebieden groeien door het relatief hoge competentieniveau.

In een volgende blogpost leg ik uit dat investeringen in de kennis-economie niet alleen leiden tot meer werkgelegenheid, maar ook de samenleving als geheel ten goede komen én voor de provincie van blijvende waarde zijn.

Mijn vraag: Wat is volgens jou het belangrijkste resultaat van investeringen in de kennis-economie wat betreft werkgelegenheid?

maandag 14 oktober 2013

Martens

Eenmaal liep ik mee in een protestmars. Het was in 1982, in het buitenland, voor een zaak die niet de mijne was. Herinneringen bij het overlijden van Wilfried Martens, ex-premier van België.


Afgelopen week overleed Wilfried Martens op 77-jarige leeftijd. Van 1979 tot 1992 was hij premier van België. Dit nieuws deed mij terugdenken aan een werkweek naar België in 1982, met mijn klas van de Rijks Hogere Landbouwschool in Groningen.

Staking
We zouden de eerste dag na aankomst in Antwerpen een bezoek brengen aan de Opel-assemblagefabriek. De avond tevoren kregen we echter bericht dat deze excursie niet door kon gaan, want er zou die dag gestaakt worden.
Wij waren verontwaardigd: komen we helemaal uit Groningen, en dan dit…!

Er werd contact gezocht met de vakbond die de staking organiseerde. Tot onze verrassing had men daar begrip voor onze verstoordheid. We mochten die ochtend zelfs voor uitleg naar het vakbondsgebouw komen.

Vakbond
Die morgen bruiste het vakbondsgebouw in het centrum van Antwerpen van activiteit. Op de begane grond was een enorme zaal, waar de stakers werden geregistreerd. Het was er een drukte van belang.

Wij werden meteen meegenomen naar een nette, maar sobere vergaderzaal op de eerste verdieping, waar een vrijgestelde er meer dan een uur voor uittrok om ons bij te praten over de sociale geschiedenis van Vlaanderen.
Die sociale geschiedenis werd verbonden met de geschiedenis van heel België, inclusief de taalstrijd. In de 19e eeuw hadden de Waalse industriëlen het in Vlaanderen voor het zeggen, wat gepaard ging met een onderdrukkend regime voor de Vlaamse werkende klasse. Wat in die eeuw werd aangericht, bepaalt tot op heden de sentimenten in het tweetalige land.

Het werd er door de vakbondsman dik bovenop gelegd: de sociale geschiedenis van België culmineerde in de staking van die dag.
En wij waren erbij!

Protestmars
En zo liepen wij die middag mee in een protestmars van Vlaamse fabrieksarbeiders. Als studenten waren wij solidair, ook al hadden we nog nooit een auto in elkaar gezet (en dat was maar beter ook, lees mijn blog van 16 september 2013).

We hieven luidkeels een spreekkoor aan op de melodie van het kinderliedje ‘Schipper mag ik overvaren’ met de onvergetelijke tekst: “Martens ken gaan zakkies plakken hi ha ho.” De herkomst van deze pakkende strofe doe ik af in een voetnoot.

Sommige stakers zongen met ons mee. En daarmee was de protestmars voor ons geslaagd.
De excursie naar de Opel-fabriek hadden we inmiddels uit ons hoofd gezet.

Ik heb een vraag voor de veerman bij Berg aan de Maas: “Moet ik straks ook tol betalen, ja of nee?"

Voetnoot 1: De tekst “Martens ken gaan zakkies plakken” was onze gelegenheidsvariant op “Ajax ken gaan zakkies plakken,” waarop het Ajax-elftal tijdens uitwedstrijden in de Kuip door Feyenoord-supporters werd getrakteerd, met een onvervalste Rotterdamse tongval. Zakjes plakken is het aanleggen van een verzameling suikerzakjes, die in plakboeken werden ingeplakt. Het is een aardig instap-thema voor beginnende verzamelaars met een beperkt budget. Rond deze truttige hobby hangt echter een penetrante spruitjeslucht: wie zakjes plakt zal het op het voetbalveld nooit ver schoppen. Ik vermoed trouwens dat het verzamelen van die suikerzakjes met de opdruk van het koffieschenkend etablissement in onbruik is geraakt, want het is lang geleden dat ik zulke rechthoekige zakjes heb gezien (tegenwoordig verstrekt men immers suiker in anonieme papieren staafjes).

Voetnoot 2: Vanwege het specifiek Nederlandse karakter van deze blogpost zie ik af van vertaling in het Engels.

maandag 7 oktober 2013

Duik in het onbewuste

“Twee zielen, één gedachte,” luidt het gezegde als twee mensen tot elkaars verrassing dezelfde mening hebben. Maar ook geldt: “Eén ziel, twee gedachten.” In het menselijk brein huizen namelijk het bewuste én het onbewuste. Hebben die ook dezelfde mening?


De sterke kanten van het onbewuste vormen het aardige onderwerp van het boek “Het slimme onbewuste: Denken met gevoel” door Ap Dijksterhuis, hoogleraar psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Die kwaliteiten liggen volgens hem op het vlak van het waarnemen, het hebben van een mening, het beslissen, de creativiteit en het gedrag.

Onbewust waarnemen
In het boek komt het bewuste er maar bekaaid van af. Want dat kan maar één ding tegelijk. De bewuste aandacht is namelijk eenzijdig gericht. Onbewust zien, horen en voelen we veel meer dan we ons bewust zijn. Zo verwerken we onbewust meer reclameboodschappen dan we ons bewust zijn.

Die gevoeligheid in onze onbewuste waarneming wordt door Dijksterhuis subliminale waarneming genoemd. Dit helpt ons om bedreigende situaties sneller te doorzien, het laat ons wennen aan nieuwe dingen en het helpt ons bij het bepalen van wat goed of slecht voor ons is. Dit hangt samen met drie verschijnselen rond subliminale waarneming:
  1. Mere exposure-effect: mensen vinden een object positiever naarmate ze er vaker mee in aanraking komen.
  2. Negativiteitseffect: mensen merken over het algemeen negatieve en bedreigende dingen sneller op dan positieve en niet-bedreigende dingen.
  3. Evaluatief conditioneren: een min of meer neutrale stimulus die wordt gekoppeld aan heel positieve of juist heel negatieve stimuli wordt vervolgens ook positiever resp. negatiever.
Bij deze opmerkelijke kwaliteiten van het onbewuste steekt onze bewuste waarneming maar schril af. Twee opmerkelijke missers in de waarneming illustreren dit:
  • Inattentional blindness: wanneer we heel geconcentreerd aandacht aan iets besteden, zien we andere dingen volledig over het hoofd.
  • Change blindness: grote veranderingen in onze omgeving merken we vaak niet op.

Onbewust gedrag
Het boek gaat in op twee facetten van gedrag: het onbewuste (interpersoonlijke) gedrag, waarbij imitatie een rol speelt. En het bewuste gedrag, waarbij de vrije wil aan de orde is.
Om met het eerste aspect te beginnen: mensen imiteren elkaar, onbewust en onbedoeld. Er is een relatie tussen de sterkte van de sociale band en de mate van imitatie. Hierdoor pas je je onbewust aan je sociale omgeving aan.

Bewust gedrag
Bewust gedrag veronderstelt een zekere mate van vrije wil. Volgens het boek is bewust gedrag altijd het resultaat van onbewuste processen. Gedrag begint echter onbewust, en bewust genomen beslissingen zijn volgens Dijksterhuis maar schijn. Dit trekt het hele idee van een vrije wil in twijfel. Dat neemt niet weg dat we ons wel van ons gedrag bewust zijn. Maar zowel de gedachte als het gedrag komt voort uit een onbewuste 'beslissing' om het gedrag uit te voeren. Het bewustzijn doet niets, maar heeft op een passieve manier wel invloed. Informatie die in het bewustzijn binnenkomt, mobiliseert onbewuste processen, die vervolgens aan de slag gaan.

Ik adviseer je om zelf te lezen hoe onze onbewuste mening volgens Dijksterhuis vaak belangrijker is bij de beïnvloeding van ons gedrag dan onze bewuste mening. En hoe het bewuste en het onbewuste (intuïtie) als het ware strijden om een rol bij de menselijke besluitvorming. En tenslotte over de creatieve capaciteiten van het onbewuste (inspiratie).

Het schlemiele bewuste?
Dijksterhuis laat de lezer achter met de gedachte dat het bewuste en het onbewuste op rigide wijze van elkaar gescheiden zijn. Gedachten uit het lucide, overactieve, teugelloze onbewuste worden als onder osmotische druk mondjesmaat in het verduisterde, lamlendige, willoze bewuste geperst.
Of om een andere metafoor te gebruiken, het theater: op het toneel staat de slecht voorbereide en vergeetachtige acteur (het bewuste), duidelijk zichtbaar voor het publiek. Uit het zicht wordt hij ingefluisterd door een alwetende souffleur met het script op schoot (het onbewuste).

De menselijke geest als diepzee
Ik zet daar een andere metafoor tegenover: de diepzee.

De menselijke geest is als de diepzee, waarin de meeste onderzeeërs maar tot een beperkte diepte kunnen afdalen. Vlak onder het wateroppervlak, net buiten de kust ziet de duiker de mooiste vissen, koraalriffen en scheepswrakken (het bewuste). Naarmate de vissen dieper zwemmen, worden ze voor hem minder goed zichtbaar – het onbewuste krijgt steeds meer de overhand. Het laagste niveau van bewustzijn bevindt zich in de troggen van de diepzee. Slechts weinig onderzeeërs kunnen daarin afdalen – mogelijk op zoek naar een gezonken Titanic.
Er is naar mijn oordeel dus een graduele overgang van het bewuste naar het onbewuste (tweet dit).

Volgens Dijksterhuis is het belangrijkste ‘nut’ van het bewuste, dat je daarmee het leven kunt ervaren. Zonder deze ervaring is het leven als een droomloze slaap.
Ik geloof dat het genuanceerder ligt.

Vraag: wie is zich bewust van de kwaliteiten van het eigen onbewuste?

maandag 30 september 2013

I don’t see any problems, only challenges

This is what we often hear. Surely, we don’t like problems and we’d rather talk about challenges. But who turns each problem into a challenge, because it feels better, is fooling himself. Since there are some fundamental differences.


In my opinion, a challenge is a task you assign to YOURSELF (even though someone else may have inspired you). You gladly put a lot of energy into it.
A problem is a task that is forced upon you (or if you get yourself into trouble). If you’d had a choice, you wouldn’t put any effort into it. A problem often gives misery, and that’s exactly why we feel more comfortable with a challenge.
You can evade challenges, but you can’t escape from problems (tweet this).

So, since we want to determine our own life, we’d rather not talk about our problems. Instead, we prefer to talk about challenges. Therefore, calling a problem a challenge is euphemistic language: pretending you choose a task that actually forces itself inevitably upon you.

In this sense, climbing a mountain on a bicycle is a challenge: nobody forces you to do this and reaching the top gives satisfaction. A flat tire along the way however is a problem: you need to act to fix the misery. This is a typical example that presumes an order difference: first you need to solve problems before you can achieve your challenge.

We also see this on a larger scale: the so-called Grand Challenges (*) are challenges, but solving these poses enormous problems. In my opinion, this is also a case of euphemistic language. I think that nobody would gladly put that much energy in solving these Grand Challenges if indeed it were challenges. Instead, we’re facing problems, screaming for solutions.
In fact, the Grand Challenges are Grand Problems.

To some extent, committing yourself to a challenge is selfish when it primarily concerns your own personal development. However, a challenge can also hold a task to help others solving their problems, and in that case there’s something noble to it. If solving somebody else’s problems goes too much at the expense of yourself, you may ask yourself if you’re on the right track and how long you can carry on with it.

Others can contribute to achieving your challenge, but eventually it’s something you have (want) to do yourself. Others can solve or take away your problems (entirely), even if you don’t contribute anything.

Finally, if you call problems challenges, and that makes you feel good: fine with me, I don’t want to spoil your pleasure. But regarding both problems and challenges consider this: think in solutions!

Question: could you please give examples of challenges and problems that fit my description? And do you really need to solve your problems before you can commit yourself to a challenge?

(*) According to the European Commission, the Grand Challenges are (Horizon 2020):
  • Health, demographic change and wellbeing
  • Food security, sustainable agriculture, marine and maritime research, and the bio-economy
  • Secure, clean and efficient energy
  • Smart, green and integrated transport
  • Climate action, resource efficiency and raw materials
  • Inclusive, innovative and secure societies.

This is a repost of my (Dutch) April 8, 2013 blogpost. Please let me know if like to read other posts in English.

vrijdag 20 september 2013

Computer gegijzeld

De Amerikaanse National Security Agency (NSA) blinkt uit in het plegen van inbreuk op ieders privacy. Maar: houd rekening met meer gevaren in het digitale domein!



Zo werd enige tijd geleden mijn computer geïnfecteerd met ransomware, waarmee die pc werd gegijzeld. Deze venijnige software kwam binnen via een ogenschijnlijk onschuldige e-mail, die ik – achteraf gezien – meteen had moeten verwijderen. Het besturingssysteem werd geblokkeerd en bij het opstarten kreeg ik telkens een politielogo te zien. De malware eiste betaling om de geblokkeerde functionaliteit te herstellen. Ik moest daarvoor gebruikmaken van virtueel digitaal geld, waarvoor ik naar een tankstation werd verwezen. Heel bijzonder!
Gelukkig vond ik op een andere pc online een manier om de malware te omzeilen en onschadelijk te maken.

National Cyber Security Centrum
De term ‘ransomware’ vond ik bij het National Cyber Security Centrum (NCSC). Ransomware is namelijk een vorm van ‘malware’ en dit is volgens deze instelling een aanduiding voor kwaadaardige software, zoals virussen, wormen en Trojaanse paarden, inclusief mobiele malware.

Het NCSC is een Nederlandse expertisecentrum dat bijdraagt aan het vergroten van de weerbaarheid van de Nederlandse samenleving in het digitale domein, en daarmee aan een veilige, open en stabiele informatiesamenleving. De toenemende afhankelijkheid van ICT-technologie maakt onze samenleving en economie immers kwetsbaar voor verstoringen en maakt dat digitale veiligheid van levensbelang is.

Ontwikkelingen
Jaarlijks publiceert het NCSC het leerzame “Cybersecuritybeeld Nederland” (CSBN). Hierin worden enkele ontwikkelingen beschreven, die de dreiging en de impact van cyberaanvallen vergroten, zoals:
  • De toename van het gebruik van mobiele apparaten en toepassingen voor nieuwe functionaliteiten en om (persoons)gegevens op te slaan.
  • Het omvangrijk gebruik van sociale media, die evenzoveel onbedoelde bronnen van informatie vormen.
  • De toename van het gebruik van clouddiensten, interessant uit oogpunt van flexibiliteit, kosten en gebruiksgemak, bijvoorbeeld online filesharing (WeTransfer, Google Drive en Dropbox).
  • Big data gets bigger: grote databestanden van grote organisaties vertegenwoordigen grote waarde voor kwaadwillenden, die de data kunnen gebruiken voor aanvallen tegen derden, zoals identiteitsfraude.
  • Burgers vinden steeds meer het onlinekanaal (onlinewinkelen). Daarbij moeten we bedenken dat efficiëntie en klantvriendelijkheid de privacy onder druk zetten.
  • De toename van de ICT-afhankelijkheid van de elektriciteitsvoorziening, bijvoorbeeld door de introductie van smart grid en smart meters.
  • Hyperconnectiviteit: steeds meer apparatuur is online verbonden met internet, niet alleen computers en telefoons, maar ook bijvoorbeeld auto’s, televisies, thermostaten, weegschalen en printers.

Dreigingen
De dreigingen komen vooral van staten (bijvoorbeeld de NSA), terroristen, (beroeps)criminelen, cybervandalen, scriptkiddies en hacktivisten. ‘Scriptkiddies’ zijn hackers met beperkte kennis, die gebruikmaken van technieken en hulpmiddelen die door anderen zijn bedacht en ontwikkeld. ‘Hacktivisten’ zijn personen of groepen die ideologisch gemotiveerd cyberaanvallen uitvoeren.

Burgers zijn bijna even vaak slachtoffer van ‘hacken’ als van fietsendiefstal (tweet dit). Criminelen hebben het gemunt op bank- en identiteitsgegevens van burgers  (fraude met internetbankieren). Of ze kunnen proberen om ICT van burgers over te nemen, zodat die deel gaat uitmaken van een botnet. Een ‘botnet’ is een verzameling van geïnfecteerde computers die centraal, met kwade bedoelingen, op afstand bestuurd kunnen worden; zo’n botnet is veelal gericht op manipulatie van (financiële) transacties.
Burgers kunnen ook te maken krijgen met een aanval op voor hen belangrijke dienstverlening, met name Distributed Denial of Service (DDoS).

Er zijn de laatste tijd genoeg voorbeelden in het nieuws gekomen, die aantonen dat dergelijke dreigingen geen theorie, maar alledaagse realiteit zijn. Voorbeelden zijn verstoringen in basisvoorzieningen als iDeal en DigiD.

Weerbaarheid
Om de weerbaarheid tegen cyberaanvallen te vergroten ligt er een grote verantwoordelijkheid bij jou en mij, de eindgebruikers van apparatuur. Lastig, als je wordt geconfronteerd met kwetsbaarheden in apparatuur en diensten waar je maar beperkte invloed op hebt.

Toch zijn er op z’n minst een paar dingen waaraan je kunt denken:
  • Installeer een anti-virusprogramma – ik gebruik avast! Bedenk: dit type software biedt nooit 100% bescherming, want malware muteert bijzonder snel.
  • Zwakke wachtwoorden vormen een kwetsbaarheid. Voor het definiëren van een nieuw wachtwoord gebruik ik altijd de Strong Password Generator.
    En: wijzig regelmatig je wachtwoorden.
  • Neem kennis van bewustwordingscampagnes, zoals 'Alert Online', ‘Bankgegevens en inlogcodes. Hou ze geheim’ en ‘Bescherm je bedrijf’.
  • En tenslotte: realiseer je dat Microsoft op 8 april 2014 stopt met de ondersteuning van Windows-XP. Daarna worden er geen beveiligingsupdates meer uitgebracht.

Vraag: Wat zijn jouw aanbevelingen om het gebied van cyber security?

Noot: ik ben niet zo naïef te denken dat het NCSC veel roomser is dan 'paus NSA'.
Voor meer informatie over het National Cyber Security Centrum verwijs ik (niettemin) naar www.ncsc.nl. Je vindt daar ook het “
Cybersecuritybeeld Nederland” (CSBN-3, juni 2013).

maandag 16 september 2013

Afblijven!

Hals- und Beinbruch” – veel succes, luidt het gezegde. Maar wat als we die (bot)breuk nou eens heel letterlijk nemen? Viermaal overkwam mij dat en het eerste ongeval voert terug naar mijn kleutertijd.


ONGEVAL 1 (ventilator)

De toedracht
Als kleuter, opgroeiend op een boerderij, deed ik al onderzoek naar de werking van tractormotoren. In dit geval van een Bolinder-Munktell, een Zweeds merk sinds 1932, dat naderhand, tussen 1973 tot 1985, onder de naam Volvo BM werd verkocht. Ik stak mijn hand uit naar de ventilator achter de radiateur, die destijds nog niet zo zorgvuldig werd afgeschermd als tegenwoordig. De motor liep…

De schade
…en het ventilatorblad scheerde het topje van mijn linker ringvinger weg. Vraag me mijn vingers op te steken als je me in de offline wereld tegenkomt en je kunt het nog steeds zien.
Latijnse benaming: distale falanx digitus annularis (botbreuk 1).

Het herstel
Ik heb geen bijzondere herinneringen aan het herstel.

De nasleep
Aan het voorval heb ik geen gebrouilleerde relatie met motoren overgehouden. Die relatie ontwikkelde ik pas later, tijdens mijn hbo-opleiding, de Rijks Hogere Landbouwschool in Groningen. Onderdeel van het vak Landbouwtechniek was een practicum dat in tweetallen moest worden uitgevoerd. De opdracht luidde: (1) demonteer de motor, (2) monteer de motor en (3) start de motor om te bewijzen dat de montage correct is uitgevoerd.
Eitje!

Echter, tweemaal moest de motor onderhanden worden genomen, want de eerste keer vergaten we een onderdeel. De tweede keer startten wij de motor met het startkoord. Dat koord lag per abuis verkeerd-om op de kabelschijf en sloeg vast toen de motor aansloeg. Het handvat tolde rond en liet de pasgerestaureerde motorkap vol butsen achter.

De leerkracht met de bijnaam ‘Tandwielen’-Bakker, omdat er ook ene ’Bio’-Bakker les gaf, kwam handenwringend aangerend. Hij was ‘not amused’ - wij wel, want de motor liep!

“Je mag nog van geluk spreken, want...”
...Want ik had nog wel veel meer vingerkootjes kunnen verliezen. 

Vraag: Wat zijn jouw vroegste herinneringen?

Lees mijn volgende blogs over latere ongevallen.

maandag 9 september 2013

Get it done!

Inspired by the theme “Nine Billion and You”, speakers from all over the world shared their passions during TEDx Maastricht. In four sessions. RESET – to rewind and reflect. REINVENT – to start the change. REBUILD – to empower people for a new start. REACT – to see what you can do. Let’s hear what those speakers had to say; I focus my digest on three of them.


One of the speakers at TEDx Maastricht, who promotes mushrooms grown from coffee waste, cited Mandela: ”It always seems impossible until it’s done.” The next speaker showed that by manipulating the environment, you can stimulate interaction and communication between people.
One speaker knows how to produce biofuels from bio-waste, another how to serve insects in an edible way.
One speaker asked “Do you Kyoto?” – a Japanese initiative to counter consumerism. The next one asked if we would eat meat that was grown in an incubator (‘cultured beef’).
One speaker dealt with her blindness by pursuing a legal and a sports career. Another overcame his shyness as a child by becoming one of the world’s few swords swallowers.
One speaker explained that we’re not living in an era of change, but in a period of changing eras. The next one told us to focus on our strengths for turning our ideas into realization, while delegating our weaknesses to other people.

The visionaries - the analysts - the practitioners. These are just a few observations at TEDx Maastricht.
With reference to my previous blogpost, I elaborate a little on the speeches of Jørgen Randers, Graeme Maxton, and Joakim Hauge.

We Will Never Be Nine Billion
Jørgen Randers (1945) is a professor of climate strategy at the BI Norwegian Business School, who co-authored the report “The Limits to Growth” (see my previous blogpost). He’s certain: “We will never be nine billion, maximum eight billion in 2040.” The reason is quite simple: women all over the world will have less children. The demographic data is compelling. Currently, women have 2.5 children on average, while the replacement rate (to keep the population stable) is 2.1. It is expected that by 2050, the average number of children per female is about 1.75.
This is a positive development, because it eases the global situation in several aspects. More people will be able to have a decent standard of living, we will safe natural resources, and there will be more room for nature.

Social Discontent
Graeme Maxton (1960) is a Scottish-born author and economist. He stressed that we need new, young politicians with a long-term perspective. The current (world) governments have no answers to the global challenges, like depleting resources, scarcity of water (and food), metals and minerals, and climate change.
The Gini coefficient is a measure of the income distribution of a nation's residents. A Gini coefficient of zero expresses perfect equality (everyone has an exactly equal income). A Gini coefficient of one expresses maximal inequality (only one person has all the income). The Gini coefficient for the whole world was 0.57 in 1962, and 0.50 in 2000. The scores are relatively low in Europe, high in Africa, and increasing in China.
According to Maxton, a high Gini coefficient will lead to social discontent, possibly to riots – people get angry with the government. Fortunately, in democratic countries people can vote the right people into power (tweet this).

Sahara Forest Project
Joakim Hauge is the CEO of the Norwegian Sahara Forest Project. He is involved in initiatives to use sea water to green the desert. For example, in Qatar the foundation helped to create an oasis of green technologies, including:


  1. Concentrated solar power
  2. Saltwater greenhouses
  3. Outside vegetation and evaporative hedges
  4. Photovoltaic solar power
  5. Salt production
  6. Halophytes (salt-loving plant species)
  7. Algae production.
The work done at the Qatar pilot facility will lay sound scientific foundations for bringing restorative growth to Qatar and to deserts around the world.

My Concerns
In my previous blogpost I expressed my concerns about the world energy situation. During TEDx Maastricht, I learned that many people share my concerns. A few of them came up with solutions, both tackling the supply and the demand sides – some more compelling than the other.
I also saw a lot of enthusiasm and belief that impossible things can be done.

This doesn’t take away my concerns straight off, but it is hopeful!
While it’s quite simple: we have to get it done, even though it seems impossible!

My question: what are your suggestions for improving the future world energy situation? 

This blogpost was written at the occasion of TEDx Maastricht, September 4, 2013 (www.tedxmaastricht.nl).
Information about the total fertility rate can be found on Wikipedia (http://en.wikipedia.org/wiki/Total_fertility_rate).
Information about the Gini coefficient can also be found on Wikipedia (http://en.wikipedia.org/wiki/Gini_coefficient).
For information about the Sahara Forest Project I refer to www.saharaforestproject.com.